maandag 18 april 2011

Wat willen STUDENTEN met ICT in het Onderwijs?



Nynke Bos View Nynke Bos's profile
en Kim de Crom View Kim de Crom's profile
Academisch Medisch Centrum bij de Universiteit van Amsterdam
Onderwijs & Studentenzaken, Onderwijstechnologie




Algemeen

Sinds begin 2009 neemt het team Onderwijstechnologie (OT) jaarlijks een “ICT in het Onderwijs” enquête af onder haar studenten. Enerzijds om te inventariseren in hoeverre zij ICT middelen in het bezit hebben (hardware) maar ook om te inventariseren in hoeverre zij bepaalde ICT toepassingen (software) gebruiken in het dagelijks leven. Daarnaast vragen wij de studenten wat zij verwachten van ICT in hun onderwijs. Door middel van deze enquête kunnen wij aansluiten bij het ICT gebruik van de student in het dagelijks leven, en kunnen wij binnen onze werkzaamheden ook goed aangeven waar we ons komend jaar op gaan richten en waarom. Puur omdat de studenten dit ons zelf verteld hebben.

De enquête is in maart 2011 ingevuld door 149 studenten, dit is ongeveer hetzelfde aantal als in voorgaande jaren (2009 n=154; 2010 n=159). Iets meer dan 70 % van de respondenten is vrouw (2009: 58%; 2010: 55%). Het overgrote merendeel, 94% studeert Geneeskunde, waarbij alle jaren (eerste, tweede, derde en coschappen) ongeveer allemaal even sterk vertegenwoordigd zijn.

PC ’s en mobiele telefonie

Het overgrote deel van de studenten bezit een computer met een Windows besturingssysteem, namelijk 79%. 25% van de studenten bezit een Mac computer. 8% van de studenten is zowel Windows als Mac bezitter. (N.B. een aantal studenten bezit meerdere computers met hetzelfde besturingssysteem, deze studenten zijn slechts eenmaal meegeteld in de genoemde percentages in deze alinea).

We zien het afgelopen jaar een stijging in het aantal Mac bezitters. Waar in 2009 en 2010 het aantal Mac bezitters rond de 16% lag, ligt dit percentage nu op 25%. De groep Mac gebruikers is inmiddels zodanig groot dat bij de toekomstige keuzes van software systemen hier rekening mee gehouden moet worden.

80% van de studenten heeft een laptop. Het aantal laptopbezitters is sinds 2009 aanzienlijk toegenomen (63%).

Slechts weinig studenten hebben nog een iPad of een andere tablet PC. Slechts 5% van de studenten heeft er een in zijn bezit.


De meerderheid van de studenten heeft een smartphone (54%). Groeide dit aantal ten opzichte van 2009 naar 2010 nog explosief (van 28% naar 50%), heeft het bezit zich het afgelopen jaar enigszins gestabiliseerd. (N.B. een aantal studenten bezit meerdere smartphones, deze studenten zijn slechts eenmaal meegeteld in de genoemde percentages in deze alinea).Het is onze verwachting dat de geringe stijging in het aantal smartphone gebruikers de aankomende jaren zal aanhouden, uitgaande van landelijke verkoopgegevens van onderzoeksbureau GFK waarin staat dat in maart 2011 voor het eerst de verkoop van smartphones de verkoop van “simpele telefoons” overstegen heeft.
De meeste smartphone bezitters onder de studenten hebben een iPhone (17%), maar deze aantallen liggen zeer dichtbij elkaar (Android en Blackberry elk 13%, overige systemen 15%).

Gebruik Social MediaHyves is onder de studenten uit. Slechts 15% van de studenten logt enkele keren per week of dagelijks in op deze account. 76% van de studenten gebruikt Hyves niet of tot helemaal nooit. Facebook wordt echter intensiever gebruikt. 80% heeft een Facebook profiel, waarbij meer dan de helft van de studenten aangeeft dit account meerdere malen per dag te checken. Het percentage sociale netwerkgebruikers is ongeveer gelijk gebleven aan 2010, maar er is een duidelijke verschuiving waarneembaar van Hyves naar Facebook.

Sociaal Netwerken op het professionele vlak is bij Geneeskunde studenten minder populair: slechts 13 % van de studenten heeft een account aangemaakt op Linkedin. Ook Twitter heeft het hart van de Geneeskunde student niet kunnen veroveren: slechts 22% heeft een account op Twitter, waarbij 8% van de studenten dagelijks of meerdere malen per week ook daadwerkelijk Twitter gebruikt. In 2010 had slechts 15% een Twitter account, dus er lijkt sprake van lichte, maar langzame toename. Voor MySpace en Orkut geldt hetzelfde, weinig tot geen studenten maken hiervan gebruik.

Wat willen studenten met ICT in het Onderwijs?


Op basis van een 10-puntsrankingvraag met vastgestelde onderwerpen hebben de studenten aangegeven waar volgens hen de prioritering binnen team OT het aankomende jaar moet liggen (zie onderstaande grafiek en bijlage 1). De studenten geven aan dat ze vooral willen dat er meer webcolleges worden aangeboden (22%), gevolgd door “Meer digitale oefentoetsen (bijvoorbeeld door oude tentamens te digitaliseren)” (19%). Betere kwaliteit van e-learningmodules en betere inbedding van e-learningmodules in het onderwijs staan met respectievelijk 13% en 12% op de derde en vierde plaats.

Webcolleges

Met ingang van januari 2011 is binnen de Geneeskunde opleiding een communicatieplan opgesteld dat als doel heeft om zoveel mogelijk grootschalige hoorcolleges als webcollege aan studenten aan te bieden. Op dit moment worden 12 van de 15 vakken binnen de Bachelor opleiding achteraf aan studenten aangeboden als webcollege. De doelstelling van het communicatieplan is om dit in 2011 uit te breiden naar alle vakken.

Digitale oefentoetsen

Het is de intentie van team Onderwijstechnologie om op het gebied van formatieve toetsing de aankomende periode grote slagen te slaan. Op dit moment lopen binnen de Bachelor en binnen de Master twee kleinschalige initiatieven waarvan team OT, bij goede resultaten en ervaringen, hoopt op verdere opschaling binnen de Geneeskunde opleiding.

E-learning

Omdat het team OT signaleert dat de kwaliteit van de e-learningmodules en de inzet hiervan in het onderwijs nogal varieert, is deze vraag aan de studenten voorgelegd. Gezien de prioritering die studenten aan dit onderwerp hebben gegeven, kan gezegd worden dat zij dit ook gesignaleerd hebben. Het eerste punt betreft de inbedding van de e-learningmodules in het onderwijs: sommige e-learningmodules worden aan studenten aangeboden zonder dat er later in het onderwijs nog op de inhoud wordt teruggekomen of dat deze behoort tot de getentamineerde stof. De meerwaarde van de e-learningmodule is daardoor onduidelijk en de inzet van e-learningmodules in het onderwijs is ook niet altijd even relevant. Er zal bij een volgend curriculum ontwerp duidelijker aangestuurd moeten worden op een blended leervorm, waarbij de e-learning goed is ingebed in het onderwijs.

Het tweede punt, de kwaliteit van e-learning heeft twee oorzaken: ten eerste is de doelstelling van de e-learning is niet altijd duidelijk. Sommige e-learningmodules hebben een zelftoetsend karakter waarbij er geen sprake is van kennisoverdracht; iets wat studenten wel verwachten. Het komend jaar zal er dan ook op gericht zijn hierin duidelijke keuzes te maken: indien er wordt gekozen voor een e-learningvorm dan zullen de modules ook moeten voorzien van betere uitleg en feedback. Indien er wordt gekozen voor een meer toetsend karakter, dan zullen weer andere aspecten benadrukt moeten worden. Een andere verklaring voor de wisselende kwaliteit van de e-learningmodules is de betrokkenheid van de docent, ofwel de inhoudsdeskundige. Deze betrokkenheid is zeer wisselend, wat weer tot uiting komt in de kwaliteit van de e-learningmodules.


Wat vinden studenten minder belangrijk?

De onderwerpen “Meer digitale eindtoetsen i.p.v. schriftelijke eindtoetsen”(22%), “Betere inbedding van digitaal portfolio in het onderwijs” (19%) en “Een digitaal portfoliosysteem met meer functionaliteiten / hogere gebruiksvriendelijkheid “(17%) kregen de laagste prioritering toegewezen (ranking 9 en ranking 10). Ook het onderzoeken van nieuwe mogelijkheden in het onderwijs, zoals het gebruik van Apps, e-readers, Twitter en Facebook” vinden studenten minder belangrijk (15%).

Digitale eindtoetsen

Erg opvallend aan de prioriteringsvraag is dat digitale formatieve toetsing hoog scoort op de prioriteitenlijst van de studenten, terwijl digitale summatieve toetsing het laagst scoort. Een verklaring hiervoor wordt gegeven in de open antwoorden van de studenten. Digitale formatieve toetsing is aantrekkelijk omdat het studenten vrijblijvend de mogelijkheid biedt om plaats- en tijdsonafhankelijk inzicht te krijgen in de individuele voortgang. Digitale summatieve toetsing wordt daarentegen door studenten als onaantrekkelijk genoemd als gevolg van grote afhankelijkheid van de techniek en omdat studenten tijdens de toetsafname meer afgeleid worden (ventilatoren, tikken op toetsenbord, geschuif met de muis over bureau etc.).

Digitaal portfolio

Het digitaal portfolio neemt bij de studenten een onbelangrijke plaats in. Dit komt overeen met de bevindingen van team OT wanneer het gesprek met docenten wordt aangegaan. Bij zowel de meeste studenten als de meeste docenten lijkt de meerwaarde van een digitaal portfoliosysteem niet bekend te zijn. Het digitaal portfolio project dat onlangs binnen Onderwijs & Studentenzaken AMC van start is gegaan hoopt hier een einde aan te maken. Gedurende dit project zal een onderwijsvisie worden geformuleerd met betrekking tot digitaal portfolio gebruik binnen de Geneeskunde opleiding. Ook zal deze visie vertaald worden naar functionele eisen van een porfolio systeem. Het is de verwachting dat door het bepalen van de onderwijsvisie en het betrekken van zowel docenten als studenten bij dit traject uiteindelijk meer draagvlak wordt gecreëerd in het digitaal portfoliogebruik en ook de meerwaarde bij alle doelgroepen duidelijker wordt.

Onderzoeken van nieuwe mogelijkheden

Het onderzoeken van nieuwe mogelijkheden in het onderwijs zoals het gebruik van Apps, e-readers, Twitter en Facebook scoort relatief laag in de prioriteringsvraag. Uitgaande van de gegeven antwoorden zijn de studenten van mening dat team Onderwijstechnologie vooral de aandacht moet besteden aan de ontwikkeling en onderhoud van bestaande diensten (formatieve digitale toetsing, webcolleges en e-learning). Dit kan mogelijk verklaard worden door het feit dat studenten niet daadwerkelijk zien en/of merken dat het team bezig is met ontwikkelen van nieuwe diensten, en dat deze nieuwe diensten, na een aantal succesvolle pilots, als vaste dienst aan studenten worden aangeboden. Een mooi voorbeeld hiervan zijn de webcolleges; drie jaar geleden werden de eerste voorzichtige pilots gedaan en nu zijn alle collegezalen voorzien van een automatisch cameravolgsysteem en geven studenten massaal aan meer webcolleges in het onderwijs te willen. Een ander succesvol voorbeeld is het de inzet van stemmen tijdens de colleges. Ook dit is inmiddels een vast onderdeel van het studieprogramma geworden.


Stellingen

Tot slot zijn zeven stellingen aan de studenten voorgelegd. Elk met een 5-puntsschaal van “helemaal mee eens” tot en met “helemaal mee oneens”. De zesde antwoordoptie was “niet van toepassing”. Deze antwoordoptie is niet meegenomen in het berekenen van de gemiddelde antwoordscore in onderstaande grafiek.

Uitschieters bij deze vraag zijn de stellingen “Door het aanbod van online colleges ben ik minder aanwezig in de collegezaal” (3,82) en “(Digitale) bonuspunttoetsen zetten mij aan om eerder in het blokonderwijs de studiestof te bestuderen” (1,84).

Aanwezigheid college met betrekking tot het aanbod webcolleges

Eerder onderzoek onder AMC studenten heeft aangetoond dat het aanbieden van webcolleges niet ten koste gaat van aanwezigheid in de collegezaal. De resultaten van deze enquête en observaties in de collegezaal ondersteunen de bevinding. Het overgrote deel van de studenten geeft aan dat zij webcolleges niet gebruiken als vervanging van het hoorcollege ter plaatse. Ook uit de statistieken van het online bezoek van de webcolleges kan worden geconcludeerd dat studenten deze voornamelijk gebruiken om moeilijke stukken van het college terug te kijken. Zelden worden gehele colleges van het begin tot einde terug gekeken door de studenten.

Digitale bonuspunttoetsen

De afname van bonuspunttoetsen zijn een terugkerend punt van discussie onder sommige onderwijscoördinatoren en medewerkers van Onderwijs & Studentenzaken. Het voornaamste doel van de invoering van bonuspuntentoetsen binnen het Geneeskundecurriculum is studenten aan te zetten tot vroegtijdig studeren. Hiertoe worden twee toetsmogelijkheden in een onderwijsblok aangeboden waarbij studenten een zogenaamd bonuspunt kunnen halen voor hun eindcijfer. In deze enquête geven de studenten aan dat bonuspunttoetsen hen aanzetten om eerder binnen een blok van start te gaan met studeren (1,84). Eén van de oorspronkelijke doelen voor de invoering van bonuspunttoetsen lijkt hiermee behaald te zijn.

Studenten reageren op de stelling “door de afname van (digitale) bonuspunttoetsen heb ik goed zicht op mijn voortgang binnen het blokonderwijs” iets minder overtuigend (2,29). Dit heeft waarschijnlijk te maken met de feedback die studenten krijgen na afloop van een bonuspunttoets. Allereerst is het de vraag hoe betrouwbaar en representatief een toets van 15 vragen is. Bij een niet-representatieve/niet-betrouwbare toets kan geen conclusie worden getrokken uit de eindscore van de student. Ten tweede krijgen studenten vaak geen inzage in gegeven antwoorden omdat docenten de vragen in de toekomst nogmaals willen gebruiken. Het is de vraag of het geven van feedback naar aanleiding van een bonuspunttoets een aandachtspunt moet zijn voor docenten en medewerkers van O&S, rekening houdend met de voor- en nadelen. O&S heeft de wens geuit om binnen de afdeling van start te gaan met een onderzoek naar de effectiviteit van bonuspunttoetsing binnen de Geneeskunde opleiding. Bij voldoende capaciteit zal hiermee gestart worden.

Conclusie

De afgenomen enquête heeft team OT veel waardevolle informatie opgeleverd. De gegevens over studentensoftware en hardware(gebruik) zijn geactualiseerd en we weten wat studenten op het gebied van ICT en Onderwijs op dit moment belangrijk vinden.Op dit moment zal een soortgelijke enquête onder docenten worden uitgezet. Doel is om te onderzoeken of de verwachtingen met betrekking tot ICT in het Onderwijs onder studenten en docenten gelijk zijn.

Op de website van het team OT zijn alle resultaten van de enquête nogmaals rustig terug te lezen.
https://sites.google.com/a/amc.uva.nl/onderwijstechnologie/ en op
https://sites.google.com/a/amc.uva.nl/onderwijstechnologie/nieuws/resultatenenqueteictinhetonderwijsbekend

donderdag 14 april 2011

Slimmer samenwerken met digitaal mindmappen in het onderwijs

Henny Groot Zwaaftink

Mindmappen is een techniek die positief kan bijdragen: studenten leren beter na te denken over kernwoorden en krijgen meer inzicht in hoofd- en bijzaken. Studenten kunnen er makkelijker mee leren, vinden hierdoor werkstukken maken veel leuker.

In februari is een nieuwe release van Freemind 0.9.0 uitgebracht .
Als docent maak ik regelmatig gebruik van dit programma Freemind.

FreeMind is een open-code mindmap hulpprogramma ontworpen in Java voor het organiseren, analyseren en structuren van ideeën en informatie. FreeMind is een krachtig gereedschap, gemakkelijk te hanteren en zeer praktisch. FreeMind kan voor veel doeleinden gebruikt worden: om grote aantallen informatie te organiseren, inhoud te structuren, artikelen samen te vatten, projecten te organiseren, algemene ideeën geheugensteuntjes aan te maken enz.

Enkele voorbeelden waar het gebruik van digitaal mindmappen voordelen biedt:
Bij groepsopdrachten
Met regelmaat verstrekken we groepsopdrachten. Deze opdrachten zijn vaak complex en te groot om door een student te worden uitgevoerd. Bij een groep veronderstellen we dat samenwerking betekent: kennis en materialen delen om tot een gemeenschappelijk eindproduct te komen.

Om het rendement van de groepsopdracht te verhogen wordt FreeMind ingezet:
1. Ieder groepslid maakt een digitale mindmap van de opdracht en plaatst deze in de leeromgeving.
De bijdrage van ieder groepslid in het denkproces is zo zichtbaar.
2. Kennisdelen:
a. De mindmaps binnen een groep worden met elkaar vergeleken. Ook de “verlegen en stille” groepsleden komen nu aan bod.
b. De discussie binnen een groep wordt verdiept, omdat iedereen zich heeft voorbereid.
3. De docent kan het denkproces in de groep beter ondersteunen.

Bij video’s
In het onderwijs wordt steeds meer gebruik gemaakt van video’s en weblectures.
Om het rendement te verhogen moeten studenten een digitale mindmap maken van de video en deze publiceren in de leeromgeving. Het effect is, dat de studenten de video actiever bekijken en de docent kan controleren of de student de essentie uit de video heeft gehaald.

Bij functiebeperking
Mindmappen is bijzonder geschikt voor studenten met een functiebeperking zoals dyslexie.
Een mindmap geeft structuur. Dyslectische studenten hebben hier veel behoefte aan. Het helpt een student de kernbegrippen te koppelen aan daaraan afgeleide begrippen en ook deze weer visueel te maken. Door het gebruik van beelden hoeft het kind bij herhaling van de stof niet zoveel tijd te stoppen in het weer doorlezen, maar kan het gelijk gebruik maken van zijn begripsniveau. Enkele uitspraken:
Carlo Post
• Op een middelbare school in Utrecht - waar veel leerlingen met ADHD, dyslexie of enige andere functiebeperking zijn - wordt deze techniek als cursus aan de leerlingen aangeboden.
Lily E. van Rosmalen • Studenten met dyslexie of ADHD/ADD worden door mij regelmatig verwezen naar cursussen mindmapping en/of speedreading. Uitstekende ondersteunende vaardigheden, waarvan overigens niet alleen studenten met een functiebeperking profijt hebben. M.i. zou het een studievaardigheid moeten zijn die iedereen krijgt aangereikt. Het schort bij veel HBOstudenten aan concentratie tijdens het studeren. Verder beschikken weinig studenten over goede manieren om een uitgebreide tekst of theorie zichzelf eigen te maken. Mindmappen is bewezen nuttig hierbij.

Verhoog het rendement van uw lessen met mindmappen.
Docentenmateriaal bestaat vaak uit regels tekst of presentaties van overhead slides. Dat materiaal vergt van studenten dat ze grote aantallen schermen moeten onthouden.

Docenten die mindmap software gebruiken, kunnen complex lesmateriaal grafisch organiseren en presenteren op een enkele pagina in een begrijpelijk visueel formaat met tekst en beeld. Tijdens de lessen gebruikt de docent deze mindmap om op de kernonderwerpen te focussen. Hierdoor wordt voorkomen dat studenten verdwalen in een overvloed aan details.

Docenten kunnen mindmaps gebruiken om complexe cursusinformatie op een enkel blad te presenteren, in een eenvoudige visueel aantrekkelijke vorm.

Links:
Lesgeven met mindmappen
Mindmappen in het onderwijs
Speciaal onderwijs en zorg

woensdag 13 april 2011

OVERHEAD geen OVERDAAD

Anton Neggers

De Tweede Kamer vraagt de Algemene Rekenkamer uit te zoeken hoeveel geld er nu daadwerkelijk aan ondersteunend personeel wordt besteed in het hoger onderwijs. Een motie daartoe van PvdA en SP werd onlangs aangenomen.

We hadden het kunnen zien aankomen: in tijden van bezuinigingen roept de een of andere bewindsman vroeg of laat dat de overhead in het onderwijs te hoog is. En dat dat ten koste gaat van het primair proces.

Ook bestuurders hebben er een handje van om in te grijpen in de facilitaire diensten met als argument dat de docent voor de klas daarbij gebaat is. Vanuit het perspectief van politici en bestuurders, die in het algemeen alleen uitgaan van kengetallen, een begrijpelijke redenering. Maar ver weg van de realiteit.

Een collega-docent (inmiddels gepensioneerd) zei mij eens: "De tijd van de oude HEAO, dat was nog eens iets: één directeur, één secretaresse en voor de rest alleen maar docenten!" Ik heb die tijd als beginnend docent ook meegemaakt, en herinner mij ook dat ik mijn eigen proefwerken kopieerde, mijn eigen cijferregistratie bijhield, de overheadprojector (wij hadden er drie) vanuit het magazijn naar het klaslokaal vervoerde en bij het verplaatsen van een les zelf een lokaal moest reserveren.

Het maatschappelijk debat over onderwijs kenmerkt zich door twee eigenaardigheden: iedereen is deskundig (iedereen heeft immers ooit onderwijs genoten) en iedereen mag ongegeneerd de goede oude tijd verheerlijken (het 'gelukkige klas van Theo Thijssen'-syndroom).
Thijs Chanowski (van de Fabeltjeskrant) liet in de jaren tachtig tijdens onderwijscongressen al een prachtige animatie zien, waarin de vooruitgang sinds de industriële revolutie in alle sectoren werd getoond: van paard en wagen tot de raket naar de maan, van de postduif tot e-mail. Alleen de plaatjes over onderwijs bleven onveranderd: docent voor de klas in 1800, docent voor de klas in 1980.

In 1980 stond op mijn school ook nog maar één computer: op het secretariaat. De enorme vlucht die ICT in het onderwijs sindsdien heeft genomen toont aan dat het begrip overhead aan een herdefinitie toe is. Computers zijn allang geen 'competative advantage' meer, maar 'necessity'. Slechte ICT-voorzieningen doen een opleiding al gauw enkele plaatsen dalen in de keuzegids.

Ik ken docenten in het HO die voor hun opleiding de functie van helpdesk vervullen: studenten kunnen met alle (ook technische) vragen over de elektronische leeromgeving bij hen terecht. Het is voor het management van die opleidingen kennelijk niet mogelijk om helpdeskmedewerkers aan te trekken, omdat daarmee hun ratio onderwijzend/ondersteunend personeel ongunstig wordt, maar ondertussen doet deze docent, en veel van zijn collega's, wel ondersteunend werk...

Volgens de definitie is overhead 'het geheel van functies gericht op de sturing en ondersteuning van de medewerkers in het primaire proces'. Maar wat is tegenwoordig het primaire proces in het onderwijs?

In het onderwijs gaat het toch primair om het faciliteren van het leren van de studenten en leerlingen? De tijd dat de enige vorm daarvoor bestond uit de docent voor de klas hebben we allang achter ons gelaten. De student beschikt tegenwoordig over een 'rijke leeromgeving' waarin ook de beroepspraktijk, ICT, projectonderwijs naast de docent voor de klas een plaats hebben ingenomen. Volgens de definitie van overhead betekent dat naar mijn mening dat de helpdeskmedewerker net zozeer een medewerker in het primaire proces is als de studieloopbaanbegeleider, de docent en de laboratoriummedewerker.

De oplossing zit 'm dus in een herdefinitie van de begrippen 'onderwijzend' en 'ondersteunend' personeel. Als die door de Algemene Rekenkamer wordt doorgerekend komen de ratio's zonder meer heel anders te liggen.

Zo niet, dan dreigt voor docenten een levensgroot gevaar. Het snijden in overhead betekent dan automatisch dat ze zelf weer meer ondersteunende taken zullen moeten verrichten. Wat dacht u van: het schoonhouden van het klaslokaal. Zover zullen we het toch niet laten komen?

maandag 11 april 2011

Provocerend innoveren vanaf de werkvloer

Heerlijk! Een jonge docent(onderzoeker) die zich het kaas niet van zijn brood laat eten. In een gesprek met hem gaf hij aan dat bij de beide academies waar hij opereert er alleen maar medewerking was. Wanneer docenten aangeven dat "het MT" niet meewerkt is het de vraag of "het MT" überhaupt gevraagd is wat ze er van denken. De directie cq het management heeft ook echt het beste met het onderwijs voor. Zij zijn heel vaak niet de barrière bij nieuwe ideeën, hoewel dat vaak wordt beweerd. Er kan meer dan je denkt, initiatieven van de werkvloer worden juist omarmt. Je moet het wel even bespreken, dan komt het meestal wel goed. Of zoals ik pleeg te roepen: "geld is geen issue als je een goed plan hebt". Of we herschikken of we vinden "nieuw geld". Als dit je motiveert lees dan het relaas van Stephan Corporaal, Saxion docent-onderzoeker met (eigen)wijze ideeën, hij gaat het gewoon doen, mooi toch?

Generatie Y onderwijs: samen leren
Begin dit studiejaar heb ik mijn vaste werkplek uitgeruimd en ervoor gekozen om plaats te nemen in het open studielandschap van mijn academie. Onderwijs en onderzoek vindt naar mijn mening niet plaats in gesloten ruimtes. Ik heb honderden uren doorgebracht in de lunchruimte van docenten, bij de groeps- en individuele werkplekken waar studenten (tussen)uren doorbrengen en de spreekkamers waar we het werkveld ontvangen. Dat heeft me de afgelopen maanden in de gelegenheid gesteld om naar vele tientallen gesprekken te luisteren en me te laten inspireren door studenten, collega’s en bedrijfsleven. Dit is de kern van mijn werk. Ik ben docent-onderzoeker en mijn taak is om te leren, samen met studenten, collega’s en het bedrijfsleven.

Na drie maanden kwam ik er tot mijn verbazing achter dat de overgrote meerderheid van de gesprekken niet ging over onderwijs, over leren en over persoonlijke groei. Maar liefst 85% van de gesprekken van zowel studenten als docenten ging over organisatorische randzaken als problemen met toets inschrijven, lokalenplanning, planning van onderwijs en toetsing, overvolle feedbacksessies, roosterwijzigingen etc..

Dat moet anders kunnen. Volgend jaar start ik in mijn minor, een onderwijsperiode van een halfjaar, met een pilot waarbij ik met allerlei ICT hulpmiddelen probeer ons onderwijs weer terug te krijgen naar de basis: samen leren.

Geen roosterwijzigingen, ingewikkelde onderwijsplanningen (ODB)
Voor volgend jaar vul ik geen onderwijsplanningsformulier (ODB) meer in. Er zijn geen onderwijs en tentamenroosters. Ook geen wijzigingen meer dus. Alle bijeenkomsten en toetsen vinden plaats in het open studielandschap. Een inspirerende open werkruimte voor alle studenten van onze academie dat onlangs door mijn innovatieve teammanager flink is opgeknapt. De bijeenkomsten vinden alleen op die momenten plaats als ik en de studenten zin hebben; studenten krijgen de verantwoordelijkheid om het te plannen. Ook de vele lessen van gastsprekers uit het bedrijfsleven vinden in het studielandschap plaats. Niet alleen studenten die de minor minor volgen zullen in het studielandschap aan het werk zijn, maar ook studenten uit andere jaren. Geen probleem. Ze worden ze geïnspireerd door de bijeenkomsten en misschien doen ze zelfs wel mee. Collega’s zullen voorbijkomen en hopelijk ook geïnspireerd raken. Het open studielandschap zal wat rumoerig zijn. Ook geen probleem. Interactie staat in de lessen centraal. Lessen met ‘kennisoverdracht’ (studenten hebben daar behoefte aan!) waarbij concentratie is benodigd stel ik digitaal ter beschikking als weblectures! 

Geen toets-inschrijfproblemen, conversietoetsen, problemen met de feedback
Vandaag zag ik een overzicht voorbij komen met meer dan 80 toetsen die onze academie dit kwartiel afneemt. Dat was exclusief tientallen derde kans toetsen. De afgelopen maanden luisterde ik naar tientallen gesprekken over inschrijvings- en plannings problemen voor deze toetsen. Volgend jaar is er slechts 1 toets bij mijn minor: een portfolio toets. Studenten maken zelf een afspraak voor deze toets als ze denken er klaar voor te zijn, ik daag ze uit omdat in hetzelfde kwartiel als het onderwijs te doen. Geen problemen met conversies en cijfervoer. Ik zorg dat alle studenten automatisch ingeschreven staan voor deze toets. Om de portfolio toets te behalen nemen ze deel aan een aantal kennistoetsen, assessments en werken ze aan rapportages. De beoordelingen daarvan verzamelen ze in de portfolio-functie van ons digitale leersysteem blackboard. Kennistoetsen allemaal digitaal afgenomen via testvision, ons toetssysteem. Ook voor de open vragen. Direct na afname van de toets staan de vragen en standaard antwoorden online. Studenten kunnen deze antwoorden vergelijken met hun eigen antwoorden. Het digitaal toetsen voorkomt een hoop gedoe met het gesleep met toetsen, surveillanten en plannen van feedback en toetssessies. De feedbacksessie is vervolgens daarvoor waarvoor het ooit bedoeld is: persoonlijke begeleiding en coaching. Daarvoor plan ik ongeveer 2 uur per vier studenten. Bijvoorkeur bij cafe de Kater.

Aan het einde van de minor vindt er een gesprek over het portfolio van de student plaats samen met een docent en werkvelddeskundige en een recente alumni. Het gesprek over het portfolio levert vervolgens een cijfer op. Kennis verouderd. Elke student is anders. Elk portfolio is elk jaar uniek

Kennisdeling: de tijd dat docent jarenlang voor de klas kon staan met hetzelfde verhaal is al enige jaren voorbij.
De wereld verandert. Kennis verouderd steeds sneller. Kennisoverdracht kan niemand beter dan Google. Ik werk samen met studenten en bedrijfsleven aan diverse beroepsproducten. Dat doen we via wiki’s (bijv. Wikispaces.com) en social media (linkedin) zodat ook collega’s en bedrijfsleven ons kan volgen. Als promovendus heb ik tientallen artikelen verzameld die studenten gebruiken voor de onderbouwing van hun praktijkadviezen. Ik zorg voor een systeem waarbij studenten en bedrijfsleven via telefoon en computer kunnen inloggen op mijn harde schijf of een gezamelijke harde schrijf opzetten. We schrijven vervolgens samen een advies voor het bedrijfsleven en publiceren dat op een site als managementsite.nl

Communicatie: E-mail is ouderwets.
Zeker de 100 MB IBM-lotus mailbox die ik en de studenten ter beschikking hebben op Saxion. E-mail wordt verboden als communicatie middel gedurende de hele minor. We werken met een samenwerkingsplatform waarbij studenten hun hun vragen, stellen bijdragen leveren etc. We leren van elkaar. Ik hoef niet meer individueel te beantwoorden. Net zoals we nu al doen via: http://www.linkedin.com/groups?mostPopular=&gid=3722703. Dat scheelt veel tijd en studenten en collega’s leren van elkaar!

De ideeën hierboven zijn niet totaal nieuw. Vernieuwend is wel dat ik alles binnen nu en 4 maanden ga doorvoeren. Mijn lector noemt dat de guerilla-aanpak. Geen beleid, maar gewoon experimenteren. En anderen daarmee aansteken. Volgend jaar laat ik weten of het gelukt is.

donderdag 7 april 2011

Onderwijsinnovatie versnellen: ZSM met LQ

Yvonne Kleefkens,
Directeur HERA, Masters in Leren Leren

Van huis uit ben ik wiskundige en ict-er, en om die reden ben ik niet zo snel onder de indruk van ‘innovaties’. De mobiele telefoon is een prettige innovatie, maar het idee dat ieder type mobiele telefoon zijn eigen type adapter moest hebben is nutteloos, zo niet irritant. Ik ben dus een liefhebber van ZSM: zo simpel mogelijk innoveren met een oog voor standaards. Ook kijk altijd naar 2 aspecten: wat (inhoud) en hoe (wijze van werken). Technologie invoeren is één van de meest voor de hand liggende ‘innovaties’, namelijk die van het hoe. Dankzij ons mobieltje en de e-reader kunnen we nu op meer plaatsen en in meer situaties communiceren en informatie verwerken dan ooit. Boeken nemen ineens veel minder ruimte in onze vakantiekoffer in.

En innoveren moet geen doel op zich zijn, dat doe je bijvoorbeeld om (maatschappelijke) problemen op te lossen op een manier die nieuw is en een duidelijk positief effect heeft. Innoveren van het onderwijs kan het hoe versnellen. Zoals het gebruik van didactische werkvormen en leerstrategieën, die gebaseerd zijn op wetenschappelijk kennis over het brein en leren. Je kunt dan dezelfde stof in minder tijd verwerken, je studie in 3 in plaats van 4 jaar doen. Ook kan innoveren iets nieuws toevoegen: bijvoorbeeld Leren Leren aan het onderwijscurriculum toevoegen om het leervermogen (LQ = Learn & Leadership Quality) van leerlingen vrij te maken en te vergroten. Zodat hun resultaten met 3 niveaus of punten stijgen. En wetenschappelijk onderzoek naar de effecten Leren Leren met behulp van "leren is een makkie" uitvoeren. Dat kan weer leiden tot uitbreidingen op Leren Leren.

"Leren is een makkie" is met een zeer krap budget gemaakt, namelijk voornamelijk mijn vrije tijd, en met hulp van een stagiairs en afstudeerders, simpel html (web 0.0) en wordt nog steeds via Frontpage onderhouden. Excuses, de online planner is php. Intussen vinden per maand wel meer dan 12.000 leerlingen uit het basis- en middelbaar onderwijs hun weg naar de website en krijgen daar antwoord op hun leerproblemen. Inhoudelijk innovatief? Dat moet je maar voor jezelf beoordelen, neem er eens een kijkje.

En wil je meer weten over Learn & Leadership Quality (LQ) ga dan op bezoek bij onze LQ toolbox.

Andere sites waar we bij betrokken zijn geweest:
Ontwikkeld voor Saxion en Betatechniek, een site behulpzaam bij de ontwikkeling van diverse leren leren vaardigheden op HBO niveau
Analyseren, Communiceren,  Motiveren, Onderzoeken, Plannen, Projectmatig werken en Reflecteren

Ontwikkeld voor Saxion en ROC Twente en Aventus:
1. een site die mbo studenten helpt te besluiten wel of niet door te studeren
2. een site voor studieloopbaanbegeleiders

Ontwikkeld voor de HVA, toetsvormen en hoe je als student daarop voor te bereiden.

dinsdag 5 april 2011

Het nieuwe leren in de praktijk

John May schrijft over zijn ervaringen om vanuit bedrijfsperspectief samen te werken met het beroepsonderwijs. Hij gaat daar een stap verder dan wat we de laatste tijd in de media hebben kunnen lezen om de vergrijzing in het onderwijs op te vangen.  Dit zou kunnen door het inzetten van experts uit het bedrijfsleven als (parttime) (gast)docent. Uit zijn relaas kun je opmaken dat het daadwerkelijk uitvoeren van dit soort ideeën nog niet zo gemakkelijk is, dus lees zijn verhaal:

Het middelbaar en hoger beroepsonderwijs heeft zich in de afgelopen jaren enorm ingespannen om het onderwijs competentie gericht te maken. De aanleiding zat hem ooit in de vraag van het bedrijfsleven dat het onderwijs beter moest aansluiten bij de beroepspraktijk. Dit vereist een wezenlijk andere invulling van het onderwijs en een andere rol van de instellingen en de daar werkende docenten. Maar waar is het bedrijfsleven gebleven?

Bij de meeste opleidingscentra van grote organisaties is de wereld nauwelijks veranderd. Men organiseert hier het opleidingsaanbod nog steeds op dezelfde manier als men zelf gewend was onderwijs te krijgen. Klassikaal met veel kennis en met een beetje vaardigheid. De opleidingstrajecten bij deze bedrijfsopleidingscentra zijn voornamelijk cursus gericht. Een cursus is voor een bedrijf gemakkelijker te organiseren; een medewerker voor een aantal korte cursussen inplannen is overzichtelijker dan hem in een periode van een jaar (of misschien wel langer) te laten begeleiden naar een nieuwe bekwaamheid.
Men heeft de mond vol van eLearning en Blended Learning, maar de belangrijkste drijfveren hiervoor zijn kostenbesparing en niet het beter en effectiever ondersteunen van de medewerker bij de uitvoering van zijn beroepstaken. Zijn de bedrijfsopleidingcentra zelf wel bezig met het echt professionaliseren van hun medewerkers?

De echte onderwijsvernieuwing zit volgens mij in de samenwerking tussen de vragende partij (het bedrijfsleven) en de aanbiedende partij (het onderwijs) om de professionalisering van medewerkers vorm te geven. Het beroepsonderwijs komt hier in de positie om niet alleen op te leiden voor een start kwalificatie. Ze kan echt waarde toe voegen aan de beroepspraktijk en de bedrijfsopleidingscentra kunnen hun kennis van de beroepspraktijk inbrengen om samen onderwijs programma’s in te richten die echt aansluiten bij de behoefte van de beroepsgroep. Het onderwijs is hiermee langer en beter aangesloten bij de beroepsgroep en kan waarde toevoegen daar waar veel bedrijven niet hun kern competenties hebben zitten, namelijk leren.

De samenwerkingverbanden die hieruit ontstaan leiden tot duale programma’s die diep geworteld zijn in de bedrijven en de onderwijsinstellingen. Maar is de markt hier wel klaar voor? Als je met bedrijven praat over de professionalisering van hun medewerkers blijkt dat de behoefte er zeker is. Het probleem zit hem in de transformatie naar dit nieuwe model. Komt een bedrijf ooit los van het cursus denken als dominante opleidingvorm en komt een onderwijsinstelling ooit los van het doceren als dominante werkvorm?

Ik weet uit mijn eigen ervaring dat de eerste voorzichtige schreden door zowel bedrijfsopleidingscentra als onderwijsinstellingen gezet worden. Maar ook dat de weg naar echte samenwerking lang en moeizaam is.

John May
Learning Strategy Consultant
Capgemini Academy

zondag 3 april 2011

Overkill aan ICT congressen hindert onderwijsinnovatie


Eus van Hove, docent biologie
Met grote regelmaat is er ergens in Nederland een ICT congres voor het onderwijs. Deze week worden er twee congressen tegelijk gehouden. De Conference by the Sea heeft een compleet vakantiepark afgehuurd aan het strand bij Domburg; het 12e Nationale E-learning congres zit in het Evoluon in Eindhoven.
Al meer dan 10 jaar lang worden dit soort Onderwijs en ICT manifestaties georganiseerd voor managers, onderwijskundigen, adviseurs en coördinatoren. Wat levert deze overkill aan ICT congressen het onderwijs op? Waarom zijn er zoveel ICT congressen?


ICT zou na de uitvinding van het leerboek in de 16e eeuw en de uitvinding van het schoolbord in de 19e eeuw voor een revolutie zorgen in het hedendaagse onderwijs. Vanaf het jaar 2000 netwerken managers, onderwijskundigen, adviseurs en coördinatoren op congressen over de nieuwste ontwikkelingen op het gebied van ICT en onderwijs. Elektronische leeromgevingen, elektronische toetsprogramma’s, Second life, Hyves, WEB 2.0 tools en digiborden zijn thema’s die al jaren de congressen bezighouden. De laatste hypes zijn mobile devices en social media. Docenten zie je er niet veel. Die laten hun lessen niet vervallen voor het zoveelste ICT congres.

Kloof
Uit verschillende onderzoeken blijkt dat ICT een beperkte rol speelt binnen leerprocessen op school. Nog niet zo lang geleden constateerde de Onderwijsraad zelfs een steeds grotere kloof tussen de mogelijkheden van ICT en de daadwerkelijke benutting door scholen. De overgrote meerderheid van docenten gebruikt geen digitale leermiddelen en doceert letterlijk en figuurlijk volgens het boekje. Onlangs trok Kennisnet aan de bel bij de overheid: het gebruik van ICT in het onderwijs moet worden versneld.
Als ICT congressen zo weinig effect sorteren, waarom zijn er dan zoveel? Of is het misschien zo dat de overkill aan ICT congressen de onderwijsinnovatie juist hindert?

‘Gedoe’
Minister-president Rutte zegt dat het beschikbare geld in het onderwijs niet doelmatig wordt besteed. In het HBO gaat 30 tot 40% van het budget op aan overheadkosten. Aan ‘gedoe’, zoals de premier dat zelf noemt. Volgens Ad Verbrugge van Beter Onderwijs Nederland is het nog veel erger. De overheadkosten in het onderwijs zijn volledig uit de hand gelopen. Van het hogeschoolbudget wordt nog maar 25% besteed aan directe onderwijsactiviteiten door docenten. Ook in het VO en MBO rijzen de overheadkosten de pan uit. De Tweede Kamer wil nu dat de Algemene Rekenkamer uitzoekt hoeveel geld er echt aan overhead wordt besteed in het onderwijs (http://iturl.nl/snSxq).

Zeekanoën
Het ‘gedoe’ waar premier Rutte op doelt, is een belangrijke oorzaak voor de overkill aan ICT congressen. Steeds meer managers, onderwijskundigen, adviseurs, coördinatoren en andere bureaufunctionarissen in het onderwijs worden in staat gesteld ICT congressen te bezoeken. Geld speelt nauwelijks een rol. Deelnemers aan de Conference by the Sea verblijven deze week in een 5 sterren vakantiepark aan het strand en kunnen kiezen uit tal van activiteiten, zoals paardrijden, zeekanoën en brandingsurfen. De Conference by the Sea kost € 384 p.p. exclusief overnachting­kosten. Met 1100 deelnemers kost dit evenement meer dan een half miljoen euro. Het Nationale e-learningcongres is nog duurder. De 650 bezoekers betalen ieder € 1400; in totaal kost dit congres bijna één miljoen euro! De werkelijke kosten zijn nog veel hoger. Van de tijd die deelnemers aan de Conference by the Sea kwijt zijn kunnen 20.000 tot 30.000 lessen worden gegeven.

Doelmatig
Dat deze verkeerde besteding van middelen ten koste gaat van de kwaliteit van onderwijs mag duidelijk zijn. Dit overheidsgeld kan doelmatiger worden besteed. Als het aantal managers, onderwijskundigen, adviseurs en coördinatoren op scholen wordt verminderd, zoals premier Rutte wil, zullen de bezoekersaantallen aan ICT congressen dalen en zal de overkill aan ICT conferenties vanzelf afnemen. Met de miljoenen euro’s die dit oplevert, kunnen belangrijke oorzaken voor het achterblijven van ICT in het onderwijs worden aangepakt.

1. Laat docenten het primaire proces innoveren. Geef docenten tijd en ruimte voor de ontwikkeling van hun digitale vaardigheden en de ontwikkeling van digitaal lesmateriaal.

2. Zorg dat docenten de beschikking krijgen over een professionele elektronische leeromgeving, waarmee docenten buiten de lessen om kunnen communiceren met leerlingen/studenten, waarmee digitale opdrachten en toetsen beschikbaar gesteld kunnen worden en waarmee docenten hun cijferadministratie online bij kunnen houden.

3. Zorg voor een moderne ICT infrastructuur op scholen, zodat leerlingen/studenten draadloos internet op kunnen met hun laptops.

4. Zorg dat de ICT stafdienst niet alleen de overhead ondersteunt, maar vooral in dienst staat van het primaire proces. Docenten en leerlingen/studenten moeten adequaat geholpen worden met hun ICT problemen.

Voorlopig is dit voor veel scholen toekomstmuziek en trekt het circus van ICT congressen verder. Volgende week is IPON2011 aan de beurt; een groot ICT congres in de Jaarbeurs in Utrecht.
Gaan we nog een paar jaar door met dit ‘gedoe’? Of gaan we het overheidsgeld doelmatig besteden aan moderne lessen door docenten die tijd en ruimte krijgen voor innovatie?

Ik ben natuurlijk erg benieuwd naar reacties van de lezers van dit multiblog!

donderdag 31 maart 2011

Opleiden voor Samenleven 3.0


Judith Evertse deelt haar ervaringen over de discussieronde 'Opleiden voor de Toekomst'  o.l.v. Hans van Driel op het onderwijscongres in Den Bosch van vorige week.

De afgelopen jaren is zich een evolutie aan het voltrekken, waarbij de industriële samenleving langzamerhand plaats aan het maken is voor het zogenaamde Samenleven 3.0. Maar hoe kunnen we in het onderwijs hierop inspelen; zoals gezegd, hoe kunnen we gaan opleiden voor de toekomst?



Digitale revolutie

Terugkijkend kunnen we concluderen dat de bovenstaande ontwikkeling werd ingezet met de digitale revolutie; de komst van het internet die hiermee samenging riep aanvankelijk het nodige wantrouwen op bij veel docenten. Hoe verraderlijk moest dit nieuwe medium wel niet zijn, als iedereen er maar informatie op kon zetten zonder dat de betrouwbaarheid daarvan kon worden gecheckt? Hoewel dit bezwaar gerechtvaardigd is en nog altijd fier overeind staat, is het voor massa’s mensen geen reden geweest het internet niet massaal te adopteren als belangrijke bron van informatie. Van veel docenten moet het een behoorlijk aanpassingsvermogen hebben gevraagd, omdat de digitale revolutie ook binnen hun onderwijs snel voelbaar is geworden. Aanvankelijke stuitte deze ontwikkeling in het onderwijsveld op het nodige verzet, wat verklaard kan worden uit een hang naar het behoud van het zogenaamde mechanistische wereldbeeld, waarin controle behouden (op de informatiestromen in dit geval) een belangrijke drijfveer is. In dit traditionele wereldbeeld, voortgekomen uit de verlichting en de industriële revolutie, dient het schrift als metafoor voor de manier waarop informatie wordt verwerkt: gestructureerd, lineair, top-down, logisch opgebouwd, vastleggend, eenrichtingsverkeer, en met de nadruk op het blootleggen van allerlei oorzaak-gevolgrelaties.

Onderwijs volgens het traditionele wereldbeeld
In het huidige onderwijs vertaalt dit wereldbeeld zich in een one-size-fits-all-model, waarbinnen een pakket van onderwijs wordt ontwikkeld dat bestemd is voor grote, homogene groepen die hetzelfde beroep of vakgebied gaan uitvoeren. In de klas is men gefocust op een top-down manier van onderwijzen, waarbij kennisoverdracht bijna uitsluitend door de docent plaatsvindt. De docent bepaalt welke info we wanneer tot ons nemen. En wanneer deze de teugels dan toch wat laat vieren en het initiatief meer bij de student neerlegt (bijvoorbeeld bij het maken van een presentatie of het uitvoeren van een onderzoek), dan draait het voornamelijk om de vraag: Hoe kan ik als student de docent behagen, met andere woorden: hoe kan ik voldoen aan zijn/haar verwachtingen?

Overgang naar Samenleven 3.0
We staan op het punt dit mechanistische wereldbeeld te verruilen voor een zogenaamde postmoderne samenleving, door Hans van Driel, vicedecaan Onderwijs op de faculteit Geesteswetenschappen aan de Tilburg University, het Samenleven 3.0 genoemd. Een wereld waarbinnen de focus wordt verlegd van kennisoverdracht en kennis vastleggen naar kennis delen en een Leven Lang Leren. Een dergelijke samenleving zal een andere rol vragen van de docent, die het initiatief meer aan de studenten zelf overlaat. Alleen dan kan de student bijvoorbeeld optimaal worden voorbereid op het Nieuwe Werken, waarin netwerken centraal zullen staan en de aan terrein winnende Rijnlandse manier van organiseren meer invloed zal krijgen.

Evolutie of revolutie?
Volgens Van Driel (@hvdriel) zou de impact van deze overgang weleens vergelijkbaar kunnen zijn met die van de transitie die plaatsvond toen de op agrarische leest geschoeide samenleving geleidelijk werd vervangen door de maatschappij van na de industriële revolutie. Ook nu gaat het in principe om een evolutionaire ontwikkeling. Desondanks bestaat er volgens Van Driel de nodige urgentie als het gaat om het omvormen van het huidige onderwijs naar de eisen van deze nieuwe samenleving. Als we te laat reageren op de huidige ontwikkelingen, dan worden we geconfronteerd met een situatie waarin de studenten zelf het initiatief gaan nemen en een heuse revolutie afdwingen.

Hoe leiden we op voor de toekomst?
Maar hoe leiden we op voor de toekomst, en hoe kunnen we in het onderwijs concreet inspelen op de in deze blog beschreven overgang? Het type onderwijs dat bij dit nieuwe wereldbeeld past zou in ieder geval een grote rol moeten geven aan de student zelf, die op basis van op maat gemaakt onderwijs zijn weg zal moeten vinden. Meer informatie hierover kunt u vinden op de werkplaats van het n.0 project van Hans van Driel.

Onderzoekend leren
Ik mocht zelf van dit nieuwe onderwijs al een glimp opvangen toen ik als onderzoeker een rol speelde bij het Vrolijke School-project van de Vrije Universiteit, dat een aantal jaren geleden werd uitgevoerd. In dit project gingen leerlingen uit de 3e en 4e klas van een Gymnasium op basis van hun eigen onderzoeksvraag zich verdiepen in een taalkundig thema (Hoe zit het taalgebruik in de nieuwe digitale genres eruit?), waarbij ze al onderzoekend leerden. Dit leverde zeer verrassende uitkomsten op, en liet zien hoe nieuwsgierig en doortastend leerlingen kunnen zijn als je ze de ruimte geeft om zelfstandig te werken. Prachtige observaties kwamen hieruit voort (‘Door de ontwikkeling van chattaal te analyseren kunnen we misschien ook wel meer te weten over de ontwikkeling van taal in het algemeen’).

Maar het verhaal stopt hier nog niet. In mijn volgende blog zal ik dieper ingaan op de concrete vertaling van de hierboven beschreven ontwikkeling naar het onderwijs.

dinsdag 29 maart 2011

Levenslang (digitaal) toetsen……

Misschien moeten we het adagium "levenslang leren" wel veranderen in "levenslang toetsen". Het moet gaan over talentontwikkeling, het meten van de vooruitgang met bijbehorende beloning, dan is/wordt het ook leuk om jezelf te toetsen, toch? En wanneer je het leuk vindt om jezelf te toetsen, dan vind je het vast ook leuk om te zien dat je het goed doet. Om iets goed te doen moet je je meestal inspannen en als we het goed doen vertalen in talentontwikkeling of anders gezegd “leren”, zijn we dan niet waar we wezen willen in het “onderwijs”?

Science van The New York Times refereert aan een onderzoek dat leidt tot deze titel en intro van het artikel “To Really Learn, Quit Studying and Take a Test. Taking a test is not just a passive mechanism for assessing how much people know, according to new research. It actually helps people learn, and it works better than a number of other studying techniques.”.

Dat ICT hier een belangrijke rol in moet spelen is geen discussie meer waard. Dat docenten wat meer bagage moeten krijgen in goede manieren van toetsen en toetsvormen, lijkt haast evident. Hier kan de SURF Academy een mooie rol op zich nemen. Koppel dit alles aan het programma Toetsing en Toetsgestuurd leren die SURF heeft uitgezet rondom dit onderwerp en er lijken mooie ontwikkelingen aan te komen!

Zo las ik gister op het Blog van Sander Schenk, mooie (Amerikaanse/Britse) voorbeelden als “Connect” en “My … Labs”. Hoewel Sander betoogt dat wij als taalgebeid te klein zijn om de uitgevers te bewegen, vraag ik me dat af. We moeten wellicht de uitgevers het niet alleen laten doen, ga nu eens uitrekenen hoeveel effort we met z’n allen stoppen in het maken van (digitale) toetsen. Laten we dat eens bundelen, dan is er volgens mij best één en ander mogelijk!

Wanneer we het over toetsen met behulp van IT hebben denken we vaak aan de toetsafname programma’s met gesloten vragen als QuestionMark Perception, TestVision, Mapple-T, Wintoets, enz. Dat is het automatiseren van de kennis (en inzicht) vragen. Dat er meer dan MC-vragen, ja/nee, waar of niet waar vragen zijn is bekend, echter de overige types vragen worden minder (snel) gebruikt, aanwijs- of hotspotvragen, meer uit meer, multimediavragen enz. Open vragen in deze omgevingen kunnen wel, maar doen het voordeel van geautomatiseerd nakijken weer te niet.

En toch weten we dat er veel meer manieren van toetsing zijn, we gebruiken ze al langer, zoals bijvoorbeeld de:

kennistoets, essaytoets, casustoets, voortgangstoets, overalltoets, vaardigheidstoets, peerassessment, projecttoets, stageopdracht, praktijkopdracht, gedragsassessment, afstudeeropdracht, intaketoets, criteriumgericht interview, reflectieopdracht, peer annotation, vragen maken, presentatie, boekverslag, portfoliotoets, gaming level, spreekbeurt, proefwerk, luistertoets, werkstuk, mondeling, ICT opdrachten, verslag, enquêtes, 360 graden feedback, gesprekscyclus: taak/doelstellingen, functionerings- en beoordelingsgesprek.

Veel van de vormen zijn mooi uitgewerkt op

donderdag 24 maart 2011

Implementatie van een stageapplicatie, is dat onderwijsinnovatie?

Nico Juist
Beleidsadviseur ICT & Onderwijs
Hogeschool Holland

Al jaren is “ICT in het onderwijs” een prachtig onderwerp om over te filosoferen. Over hoe lang het toch duurt voordat het onderwijs, dankzij ICT, een complete transitie doormaakt? En gaan de “mobile devices” zo’n doorbraak forceren? Of over de “net-generatie” die om een totaal ander onderwijs vraagt, maar toch weer niet. Of over dat eeuwige mantra, dat het werkelijke probleem van onderwijsinnovatie is, dat het schort aan ”ICT vaardigheid” bij de doorsnee docent.

Als beleidsadviseur mag ik daar natuurlijk graag over nadenken, maar in m’n rol van projectmanager moet ik me soms bezig houden met de weerbarstige praktijk. En daar moet het wel gebeuren…

Waar ik momenteel met plezier aan werk, is de voorbereiding van de implementatie van een stageapplicatie voor de gehele hogeschool Inholland. Is dat onderwijsinnovatie? Misschien niet. Maar je kunt, door een randvoorwaardelijk proces efficiënter in te richten, wel tijd voor het primair proces winnen. Of zoals de WTR van SURF het in haar advies ten aanzien van de DLWO stelt:

“Een goede en geïntegreerde dienstverlening voor de ondersteunende processen levert direct zichtbare winst op in de tijd die het personeel (docenten, onderzoekers en overig personeel) en de studenten moeten investeren om onderwijs te kunnen geven of te volgen”

Toen ik met dit project startte, wist ik niet veel van stages. En ik heb me de afgelopen tijd verbaasd hoe arbeidsintensief dat proces (bij ons) nog uitgevoerd wordt. Veel excellijstjes die ingetypt en ge-e-maild worden, stapeltjes overeenkomsten, waar toch echt een “echte” handtekening op moet staan, die vervolgens verzamelend, gescand en in dichtgeplakte enveloppen naar de stagebedrijven verstuurd worden.

maandag 21 maart 2011

De meerwaarde van ‘Mobile Learning’ binnen een ELO

Leen van Kaam, 
Teamleider functioneel beheer (beheer van Blackboard en TestVision), Saxion.

Ik hou al sinds ongeveer 2003 de ontwikkelingen op gebied van het fenomeen ‘Mobile Learning’ bij.  Soms volg ik presentaties op een conferentie, soms lees ik artikelen of websites over ‘Mobile Learning’. Steeds weer zag ik in het verleden ‘Mobile Learning’ als toekomstmuziek en wachtte ik op het juiste moment. Totdat ik in 2010 reizend naar of van Saxion met trein of bus studenten bezig zag met hun mobieltjes. Daarnaast kwam de aanbieding van ‘Blackboard Mobile Learn’ waarmee we de Elektronische LeerOmgeving (ELO) ook via het platform van een smartphone kunnen benaderen. Dus wilde ik het zelf ervaren. Sinds 5 maanden heb ik een nieuwe mobiele smartphone, zo’n zakcomputer. En ja, ik ben om! De tijd is daar!
Als Blackboard beheerder en onderwijsmens heeft dat mij wel aan het denken gezet. Heeft een onderwijsinstelling keuze?  Geen sprake van, ‘mobile learning’ wordt naar mijn idee een ‘Must Have’ of  ‘Should Have’ kenmerk, waarop onderwijsinstellingen een ELO gaan selecteren.’Wat moet je nu met zo’n mobiele variant van de ELO willen? Doet de ELO mobiel hetzelfde als op het de PC of niet? Ik moet er niet aan denken, dat ik van mijn telefoonscherm een wetenschappelijk artikel of een hoofdstuk uit een boek moet lezen en memoriseren. Ook het downloaden van bestanden op mijn mobieltje, lijkt me nu niet direct opportuun. Ontwikkelen van een Blackboard cursus doe ik sneller en makkelijker via de webinterface. Vooral geboeid ben ik daarom door de vraag ‘Welke functionaliteit zou een ELO dan moeten bieden om op je mobiele telefoon meerwaarde te bieden?’

Het hele artikel lezen?

donderdag 17 maart 2011

Slechts 25% van het geld naar het primaire onderwijsproces?

In de Volkskrant van zaterdag 12 maart 2011 luiden Ad Verbruggen, Jan-Willem Bruins en Presley Bergen (opnieuw) de noodklok. Er worden een aantal argumenten genoemd, waarbij zij zich ernstig zorgen maken over de besteding van de gelden aan het directe onderwijsproces bij de Hogescholen. Hulde, zou ik zo zeggen, een oproep tot kritische (zelf)reflectie bij het hoger beroepsonderwijs.

Wat ik erg mis in het artikel is dat de auteurs het (ook opnieuw) niet plaatsen in de context van de veranderende maatschappij, dat onder invloed van die veranderingen de hele wereld verandert, maar dat de visie op onderwijs, kennisvergaring, optimalisatie van boeiend en uitdagend onderwijs en hoe de hedendaagse student het meest kan leren niet wordt meegenomen, laat staan de bijbehorende technologie en (software)omgevingen. Mag dat ook op jullie aanbevelingslijstje? Dat zou fijn zijn!

Er vallen wel een aantal vragen te stellen, bij de argumenten die de auteurs aandragen.
Vragen als:

dinsdag 15 maart 2011

Docenten moeten computeronderwijs krijgen en games omarmen

Jos Baijens geeft zijn visie weer over computers en de toekomst van het onderwijs. Ik start met zijn laatste alinea, het hele stuk kun je lezen op de volgende pagina onder de titel "Watson komt er aan".

Docenten moeten meer computeronderwijs krijgen en vooral games omarmen
Wil Nederland een echt kennisland worden, dan moeten de docenten worden bijgeschoold. Dat is net zo van belang voor Nederland als ons Deltaplan. Zoek samenwerking met ingenieurs en technici uit het bedrijfsleven, specialisten uit de overheid en de scholen. De leerlingen willen maar al te graag leren. Maar het heersende leermodel wordt saai gevonden, schools en los van hun werkelijkheid. Dwing docenten tot echte innovatie en functionele kennisoverdracht. Een weg hierheen ligt misschien verborgen in wat vaak als de vijand van de school wordt beschouwd: games. Leerlingen op mijn school krijgen corvee wanneer ze gamend worden aangetroffen. Maar games kunnen iets wat het onderwijs vaak niet kan: miljoenen mensen miljoenen uren boeien met in wezen onnozele taken: met de muis ergens op klikken, klikken, klikken. Die aantrekkingskracht moeten we in het onderwijs gaan toepassen: we moeten onderwijsgames bouwen. Wanneer wij, het onderwijs, dat niet doen, zal de game-industrie ons uiteindelijk overnemen. Er zullen meer en meer geavanceerde leergames op de markt komen die het traditionele onderwijs wegduwen. De enige manier om te overleven is om die gamesindustrie niet te verachten maar te omarmen. En alleen maar negatief is gamen zeker niet: er wordt samengewerkt, er wordt Engels geleerd, er bestaat creativiteit online, er wordt heel veel informatie verwerkt. Het beloningsysteem is bovendien geraffineerd: leerlingen krijgen constant beloning, zien hun status steeds groeien, via kansberekening blijft de game interessant, etc. De inhoud moeten wij erin stoppen. Waar wachten we nog op?

Het hele artikel lezen?

maandag 14 maart 2011

Maar wat moeten we (ze) nu nog leren?

Een geweldig idee van Heino Logtenberg om zijn netwerk in te schakelen en mensen uit te nodigen een bijdrage te leveren aan dit weblog! Meer dan 40 mensen hebben al toegezegd en nog steeds stromen aanmeldingen binnen. Vandaag mag ik het spits afbijten en gooi maar gelijk een knuppel in het hoenderhok. Tenslotte wil Heino graag prikkelende en uitdagende berichten. Nou, die kan hij van mij krijgen!

Beluister fragment:
Maar wat moeten we (ze) nu nog leren?
Vroeger heb ik nog moeten leren werken met een rekenlineaal. Ik heb nooit begrepen hoe het werkte en gelukkig kwam even later de electronische rekenmachine, ook al mocht die toen nog niet in de klas gebruikt worden.
Ook heb ik op de HBS maar liefst zeven jaar Frans gehad. Hoeveel uren zal ik daar in totaal aan besteed hebben? Ik vond het toen al zonde van m'n tijd, ook al vind ik het een prachtige taal om te horen. Na al die jaren kom ik nu niet veel verder dan het bestellen van une baguette.

Tegenwoordig kun je met Google Translate alles vertalen wat je wilt en naar vrijwel iedere taal die je nodig hebt. Waarom zou je dan nog Frans leren? Als Google alles weet te vinden wat je weten wilt, waarom dan nog tijd steken in het stampen van zaken die je toch weer vergeet? Kan je die tijd niet veel slimmer en aan andere dingen besteden? Moeten we in plaats van het aanleren van woordjes ons niet veel meer richten op het leren vinden én duiden van dingen?

woensdag 9 maart 2011

Interactieve multiblog onderwijsinnovatie

Doe je mee aan de kracht van het netwerken?
Koppel je eigen netwerk aan dat van andere onderwijsinnovatoren.
Schrijf en/of attendeer je eigen en andere netwerken.
Dat lijkt mij geweldig!



Wil je ook een columnachtig blogbericht schrijven? Laat het me weten, dan plan ik je graag in!
Hoort zegt het, Twitter het, Yammer het, Blog het, Skype het of what ever het voort!!

Een multiblog over onderwijsinnovatie: ik ben er trots op dat de onderstaande columnisten hebben toegezegd de komende tijd een blogbericht te plaatsen:

Willem Karssenberg, Jos Baijens, Leen van Kaam, Nico Juist, Hans van der Wal, Yvonne Kleefkens, John May, Henny Groot Zwaaftink, Anton Neggers, Nynke Bos, Leon Abbink, Sylvia Moes, Rens van der Vorst, Jan Bartling, Peter Blijleven, Frank Benneker, Debby Braakman, Peter Dekker, Michiel van Geloven, Hans Havinga, Jeffrey Jansen, Marten Ris, Wilfred Rubens, Ellen Kuipers, Gert Muller, Ton de Bruyn, Bert Velt, Bas Olde Hampsink, Roel Smabers, Hans Outhuis, Marcel Penners, Alexander Kremers, Niels Maes, Luc de Krosse, Sylvester Draaijer, Bart van de Laar, Peter Heidemann, Kees-Jan Meindertsma, Hans Ogg, Carmen Peters, Gerard Dummer, Marijke Hezemans, Peter van ’t Riet, Gert Jan Los, Marco Otte, Renée Filius.

Wil je ook graag je ideeën, visie of gedachten over onderwijsinnovatie delen?
Stuur een mailtje of blogbericht naar: hatlogtenberg@gmail.com

Twee maanden heeft mijn blog stilgelegen (ikzelf trouwens ook ;-).
Denkend en liggend op de bank kreeg ik het idee om deze blog tot een interactieve multiblog te verheffen. Niet iedereen wil elke keer een bericht schrijven, maar er zijn zeker genoeg mensen die eenmalig of incidenteel hun gedachten over onderwijsinnovatie willen delen. En delen daar ben ik dol op! Wat dat is leren, dat is toetsen, dat is vooruitgang.

Ik stuurde de volgende mail naar een aantal collega’s uit mijn netwerk om ze te polsen of ze het een goed idee vonden, en ja hoor 45 collegae reageerden positief en gaan een bijdrage leveren.
Dit mailde ik hen: