maandag 29 augustus 2011

Social media

Social media in het onderwijs: verbinding maken met de leerling én de docent

Paul Bloemen

Onderwijskundig adviseur en ontwikkelaar


Over het gebruik van social media wordt de laatste tijd steeds meer geschreven. Dat de mogelijkheden ervan voor leren en opleiden vast eindeloos zijn, is de lezer van deze blog hoogstwaarschijnlijk wel bekend. Zo kan door het gebruik van social media in het onderwijs onder meer veel meer aangesloten worden bij de leefwereld van de leerling. Meestal wordt daarbij meteen opgemerkt dat, ondanks de mogelijkheden en het veelvuldige gebruik door leerlingen, de toepassing van social media in het onderwijs nog beperkt is.

Dit zal waarschijnlijk nog wel enige tijd zo blijven. Niet alleen de dagelijkse onderwijspraktijk, maar ook de specifieke karakteristiek van social media maken het gebruik ervan in het onderwijs tot een complexe aangelegenheid. Zolang hiermee onvoldoende rekening wordt gehouden, zal het op veel scholen niet snel tot een breedschalige implementatie komen.

De dagelijkse realiteit
Mijn ervaring is dat docenten over het algemeen wel open staan voor nieuwe uitdagingen en dat de mogelijkheden van social media wel worden onderkend. Maar het is ook een gegeven dat docenten voortdurend met diverse veranderingen worden geconfronteerd.

Docenten krijgen te maken met steeds veranderende eisen met betrekking tot het onderwijs, nieuwe vormen van toetsen en examens, extra/veranderende begeleidingstaken, de urennorm vanuit de inspectie, toegenomen maatschappelijke verantwoording en nog veel meer.

Docenten geven in evaluaties dikwijls aan dat ze nu al te weinig tijd te hebben zich al deze veranderingen eigen te maken. Er is over het algemeen te weinig tijd voor reflectie, oefening en verdieping. Het zich verdiepen in en experimenteren en oefenen met social media zal dan ook moeten concurreren met andere prioriteiten.

Een complexe innovatie
En het is juist deze tijd en verdieping die docenten nodig hebben om social media te gaan gebruiken. Het toepassen van social media in het onderwijs is namelijk een complexe vernieuwing. Als je het bijvoorbeeld gaat vergelijken met een andere ICT-gebaseerde vernieuwing, het gebruik van een elektronische leeromgeving (ELO), dan zijn er zo al vijf factoren te noemen die het gebruik van social media vanuit het oogpunt van de (minder ervaren) docent complex maken.

1 Het gaat bij social media om een niet-eenduidig begrip. Als we het hebben over social media dan kan dat betrekking hebben op zeer diverse programma’s die ook nog eens allemaal verschillende functionaliteiten hebben. Ook ontwikkelen de verschillende media zich razendsnel. Het vergt voor een docent al enige ervaring om alleen al een basisinzicht in het concept ‘social media’ te krijgen.

2 Het doel van het gebruik van social media zal bij aanvang voor een docent vaak nog niet concreet zijn. Veel docenten zullen eerst toepassingen van social media moeten leren kennen voor ze duidelijk krijgen hoe ze dit kunnen toepassen in het onderwijs.
Verder ontbreekt nog veelal een uitwerking van een visie op onderwijs en leren (met o.a. aandacht voor informeel leren en buitenschools leren) dat als basis kan dienen om naar de inzet van social media te kijken. Dit maakt de transfer van technische toepassing naar didactisch en onderwijskundig gebruik extra moeilijk.

3 Bij social media gaat het ook om leren, communiceren en werken dat buiten de school gebeurt en buiten de school omgaat. De school heeft dan ook beperkte invloed op deze processen en het gebruik van de social media. De docent zal moeten durven loslaten, accepteren dat hij niet op alles invloed heeft.

4 Een specifieke kenmerk van social media is dat studenten deze nu ook al gebruiken en wel op een eigen wijze en waarschijnlijk intensiever dan ooit in de opleiding zal gebeuren. Het ontbreekt echter nog aan een goed beeld over hoe jongeren (kunnen) leren via social media en hoe dit te benutten in het onderwijs.

5 Zoals Hans Outhuis in zijn column van 23 augustus al aangaf, is er op opleidings/instellingsniveau in veel gevallen nog geen eenduidigheid over hoe om te gaan met social media. Als er gesproken wordt van social media beleid gaat het vooral om het wel of niet toestaan van mobiele telefoons en het afspreken van spelregels. Er is nauwelijks beleid over de onderwijskundige rol van social media in de opleidingen.

Ter vergelijk: bij een ELO is het duidelijk om welk systeem het gaat, wat er in hoofdlijnen mee kan, heeft de school grotendeels invloed op het gebruik omdat ze het systeem in beheer hebben en hebben studenten er niet meer ervaring mee dan de docenten. En bij een ELO duurt het al jaren voordat er sprake is van een brede implementatie en een significante impact op het onderwijs.

Ik merk in gesprekken dat docenten vaak onzeker zijn over het gaan gebruiken van social media. Er is weinig grip op wat social media inhouden, wat er op dit terrein van hen wordt verwacht en wat het voor hen betekent als ze social media gaan gebruiken. Er is in de school ook nog vaak weinig expertise om hen hierbij te ondersteunen. Publicaties die docenten en opleidingen helpen, zijn dan ook gewenst.

Communicatie over het gebruik van social media in het onderwijs
De wijze waarop echter nu over het gebruik van social media in het onderwijs wordt gesproken, biedt de docenten in mijn ogen te weinig ondersteuning. Er wordt sterk vanuit de mogelijkheden van de technologie gedacht (‘x-manieren om Twitter te gebruiken’). Zo worden er veel mogelijkheden van de verschillende programma’s geschetst. De verbinding met de docent wordt nog weinig gemaakt. Praktische en realiseerbare aanwijzingen om de vertaalslag naar de dagelijkse lespraktijk van de docent te kunnen maken, ontbreken grotendeels. De stap van theorie, en soms ook ideologie, naar praktijk is voor de docent dan ook vaak nog erg groot. (Nb. natuurlijk zijn er uitzonderingen waarin ook praktische, goed toepasbare en ook didactisch onderbouwde tips worden gegeven zoals het Ideeënboek Sociale media in het onderwijs van Erno Mijland, het boek @DeStudentcoach en bijdragen van ‘edubloggers’).

In veel publicaties wordt geen rekening gehouden met de realiteit van alledag. Niet alleen de organisatorische randvoorwaarden, die voor docenten vaak obstakels vormen, maar ook de complexiteit van de innovatie wordt dikwijls buiten beschouwing gelaten.

Sterker nog, door de overvloed aan alle mogelijkheden en de zeer hoge verwachtingen over het effect op het onderwijs wordt het verhaal eerder ondoorzichtig gemaakt. Wat zeker ook niet helpt is dat de verantwoordelijkheid voornamelijk bij de docent wordt gelegd. Uitspraken als ‘de docent ontkomt er niet aan sociale media te gaan gebruiken’ en ‘modern onderwijs vereist dat de docent…’ geven een signaal af dat in ieder geval niet helpt dat docenten zich zekerder te gaan voelen bij het gebruik van social media. Integendeel, hoe harder er wordt geroepen dat iets moet, hoe groter de kans dat enthousiasme uiteindelijk overslaat in verzet.

De enthousiaste docent redt zich wel en gaat experimenteren met de nieuwe mogelijkheden. Maar wat doen we met de groep docenten die nog weinig ervaring heeft met ICT en de vertaalslag naar de eigen lessen niet zomaar kan of wil maken?

Op zoek naar verbinding
Nu er steeds meer kennis beschikbaar komt over social media, pleit ik ervoor in plaats van over de docent te praten meer de verbinding te zoeken mét de docent. Verbinding met een docent die zich voor de uitdaging ziet gesteld te leren omgaan met social media. In het zoeken naar verbinding gaat het erom ook rekening te houden met vragen als:

- hoe staat de docent t.o.v. deze uitdaging? (en waarom?)
- wat heeft hij/zij nodig om voor zichzelf betekenis te kunnen aan social media?
- wat is de dagelijkse werkelijkheid van de docent?
- hoe passen social media in het gehele handelingsrepertoire van de docent?
- wat zijn voor de docent mogelijke belemmeringen?

Verbinding zoeken betekent samen met de docent de ideale weg uitstippelen, waarbij je ook eventuele weerstand serieus neemt.

Door meer aandacht voor de positie van de docent zal ook blijken dat het goed integreren van social media in het onderwijs niet alleen de verantwoordelijk van de docent kan zijn. Deze verantwoordelijkheid ligt ook op school- opleidings- en teamniveau, alleen al omdat de ontwikkeling van een leerling een opleidingsbrede verantwoordelijkheid hoort te zijn.

Zeer beknopt en beperkt uitgewerkt betekent dit onder andere dat op school- en opleidingsniveau er idealiter een visie op leren moeten zijn waarin ook rekening wordt gehouden met het informele en formele leren buiten de muren van de school en het leren via (digitale) media. Deze visie biedt tevens het kader voor de inzet van social media in de opleiding en de professionalisering van de docent (het gebruik van nieuwe media maakt hier onderdeel van uit). Daarnaast zou er binnen de instelling een ondersteuningsstructuur (expertise, faciliteiten) moeten worden ontwikkeld die de docent helpt bij het gebruik van social media. Verder kan studieloopbaanbegeleiding helpen om vanuit de opleiding aan te sluiten bij de leefwereld van de leerling.



De implementatie van social media wordt dan een samenspel tussen ‘1000 bloemen laten bloeien’ op de werkvloer en de ontwikkeling van een opleidings- of instellingsbreed kader waar visie en ondersteuning van de docent een plaats krijgen.

Door de docent vanaf het begin meer te betrekken, kan teleurstelling en frustratie zoveel mogelijk voorkomen worden. Gevoelens die ik de laatste jaren teveel heb ervaren bij docenten die in eerste instantie vol goede moed aan de slag gingen met (ICT-)vernieuwingen, maar die de hoge verwachtingen van het begin niet zagen waargemaakt en tegen allerlei belemmeringen opliepen. Echter, op het moment dat zij de verandering naar de eigen situatie hadden kunnen vertalen en kunnen organiseren, ondekten zij pas echt wat de meerwaarde van de vernieuwing voor hen was.

Het is aan ons om het gebruik van nieuwe technologieën te exploreren en stimuleren, maar ook om vervolgens de docent te helpen bij de invoering in een omgeving die voor vernieuwing niet altijd ideaal is. Geen ideologisch verhaal maar een ontdekkingstocht vanuit verbinding. Zoals we met social media willen aansluiten bij de leefwereld van de leerling, zo zouden wij ook moeten willen aansluiten bij de belevingswereld van de docent.

Meer weten over Paul?
Zie: www.linkedin.com/pub/paul-bloemen/10/859/27b
of e-mail hem p.bloemen@oabdekkers.nl

donderdag 25 augustus 2011

STOP TRAINING!

Michel Visser

Organisaties in het hoger onderwijs investeren veel geld in de aanschaf van applicaties zoals DLO’s en Student Informatie Systemen. Het doel van deze applicaties is het ondersteunen van de gebruikers en/of het verbeteren/vernieuwen van het onderwijs.

Ondanks dat deze systemen het potentieel hebben om dit te bereiken, zien veel onderwijsinstellingen het echter als een grote uitdaging om docenten en studenten de binnen deze applicaties beschikbare functionaliteit optimaal te laten gebruiken.

Het is dan ook pijnlijk om te zien dat onderwijsinstellingen zonder resultaat blijven volharden in het verspillen van veel tijd en geld aan het geven van trainingen, workshops en informatiesessies rondom deze applicaties.
Het bewijs bestaat al een lange tijd dat formele training op gedetailleerde taak en procesgebaseerde activiteiten, voorafgaande aan het daadwerkelijk uitvoeren van de taak/actie, volledig nutteloos is. En dan heb ik het nog niet over het opkomstpercentage bij trainingen dat vaak dramatisch laag ligt.

De feiten laten zien dat de aanpak van "we gaan een nieuwe applicatie implementeren, dus we moeten ze allemaal trainen" die door vele (lees: 'meeste') organisaties wordt gehanteerd, zowel inefficiënt, als fundamenteel ineffectief is.

Je kan het geld besteed aan deze activiteiten net zo goed uit het raam gooien. Eigenlijk zou het een betere optie zijn om krimpende budgetten te besteden aan methoden die wel werken. Niet alleen zou het gebruik van de hierboven beschreven applicaties sterk verbeteren, maar ik ben bereid te wedden dat er budget over zou blijven, dat gebruikt kan worden voor andere (nuttige) activiteiten!

Zelfs als je nog nooit betrokken bent geweest bij het opzetten van een applicatietraining voor eindgebruikers, om vervolgens uit te vinden dat gebruikers op het moment van go-live direct de helpdesk gaan bellen of simpelweg de applicatie niet gaan gebruiken (!), helpt het om bewust te zijn van enkele fundamentele waarheden over dit gebrekkige model.

Waarheid 1: Te veel informatie voor een mens om te onthouden
De meeste trainingen worden gegeven middels klassikale sessie of e-learning en bevat (heel) veel informatie. Dit komt omdat ontwikkelaars van deze trainingen de behoefte voelen om elk mogelijk scenario af te dekken. Hierdoor ontstaat er een enorme hoeveelheid 'just-in-case' content.

Ik heb meerdere PowerPoint presentatie gezien van 200-300 dia's aangeboden middels een 2 a 3- daagse upgrade training. Er zijn maar weinig mensen die ook maar een fractie van dit materiaal kunnen herinneren, op het moment dat ze het nodig hebben. Wellicht dat enkele participanten een fotografisch geheugen hebben, maar dat lijkt me niet verstandig om als uitgangspunt te nemen.


En al die geproduceerde handleidingen zijn gewoon een verspilling van onze beperkte natuurlijke hulpbronnen. Ze zijn veel te gedetailleerd, lineair en staan vol met screenshots die de gebruiker (bijna) nooit zal helpen om zijn doel te bereiken. De kans dat je de juiste oplossing vindt voor je probleem en/of een antwoord te krijgt op je vraag is veel groter als je het aan een collega vraagt of de helpdesk belt. Handleidingen zijn een typisch voorbeeld van ‘shelfware’. De enige keer dat iemand ze uit de kast plukt, is om ze in een container te gooien tijdens het opruimen van het kantoor of een verhuizing.

Waarheid 2: Te veel tijd tussen de opleiding en het gebruik
De informatie die iemand zich direct na de training kan herinneren - en dit is waarschijnlijk minimaal – zal verloren gaan als het niet direct in de praktijk wordt toegepast.

Het toepassen van het geleerde in de praktijk is nodig voor de neurologische processen die ten grondslag liggen aan de conversie van de informatie naar het lange-termijn geheugen - stoffen in de hersenen, zoals serotonine, AMP, en specifieke bindende eiwitten doen de rest van het werk.

Harold Stolovitch & Erica Keeps hebben zeer interessante onderzoek gedaan naar de gewenste versus de werkelijke kennisverwerving en prestatieverbetering.





De bovenstaande grafiek toont de resultaten. Tijdens de training, na een aanvankelijke dip waar de prestaties dalen als nieuwe manieren om de taken uit te voeren worden uitgeprobeerd, verbeteren de kennis en prestaties aan het einde van de training. De participant loopt de deur uit met meer kennis en in staat om beter te presteren dan toen hij begon met de training.

Dan beginnen de problemen.
De daling van kennis na de training (Stolovitch en Keeps noemen dit de ‘Post-training Re-Adjusment’), begint vrijwel direct na de training. Je bent klaar met de training, gaat naar huis, je gaat slapen en de volgende ochtend is een groot deel van wat je geleerd hebt al uit het korte termijngeheugen gewist. Bingo!

Dan ga je weer aan het werk en gaat een aantal dingen proberen uit te voeren die je (in het gunstigste geval) geleerd hebt tijdens de training. Het probleem is, je kunt je niet meer precies herinneren wat je moet doen, je krijgt niet direct ondersteuning (de trainer die je tijdens de training hebt geroepen om instructies te geven is er niet meer), dus probeer je een paar dingen, je beseft je dat dit niet werkt (tenzij je geluk hebt) en dan besluit je om gewoon te doen wat je vroeger ook deed of er helemaal mee te stoppen…

Het resultaat?

Prestatieverbetering = nul
Toegevoegde waarde van de opleiding = nul
Return on investment = nul

De enige manier waarop kennis en prestaties de stippellijn in de grafiek volgen is als het geleerde direct na de training in de praktijk gebracht kan worden (‘learning by doing’). Nog beter als dit gepaard kan gaan met enige vorm van ondersteuning door bijvoorbeeld materiedeskundigen die ondersteuning kunnen bieden op de werkplek.

Een nog beter (en zeker goedkoper) is om de training helemaal niet te geven en deze direct te vervangen door een elektronische support omgeving.

TomTom voor applicaties
Reden dat mensen een TomTom gebruiken is dat ze zo snel mogelijk hun bestemming willen bereiken, zonder te zoeken of de hele route voor vertrek uit het hoofd te leren. Daarnaast biedt TomTom de gebruiker ook tijdens het rijden pro-actieve informatie die relevant is voor de route die de gebruiker rijdt. Voorbeelden hiervan zijn informatie over files en flitsers.

De technologie die dit allemaal mogelijk maakt is het Global Positioning System (GPS). Het Nederlands bedrijf EesySoft heeft het GPS voor het applicatielandschap ontwikkeld; Het EesySoft APS© Application Positioning System.



Net als het GPS, monitoort de APS technologie van EesySoft waar een gebruiker is. Op basis van deze positie, of anders gezegd context, binnen de applicatie, biedt het APS de gebruiker relevante informatie aan om ervoor te zorgen dat de gebruiker zo snel mogelijk en zonder problemen zijn/haar doel bereikt. Dus eigenlijk net een trainer/coach die naast je staat op het moment dat je aan het werk gaat met een applicatie.

De informatie die het APS biedt, voorkomt dat gebruikers vastlopen tijdens het werken met de applicatie en geeft gebruikers advies om het gebruik van de desbetreffend applicatie te verbeteren.

Interessante data
Naast direct ondersteuning verzameld het APS ook een bulk aan zeer interessante informatie die (in het kader van Learning Analytics) gebruikt kan worden om gebruikers beter te ondersteunen. Zo kan het systeem zien welke delen van de applicatie actief gebruikt worden en welke niet. Op het moment dat een gebruiker nooit gebruik maakt van een bepaalde functionaliteit, dan kan dit verschillende oorzaken hebben, maar waarschijnlijk is dat hij/zij niet weet hoe het werkt of totaal geen besef heeft van het bestaan ervan.

Door deze gebruiker pro-actief te informeren over het bestaan en bijvoorbeeld via een kort instructiefilmpje te informeren over de werking van deze specifieke functionaliteit kan het gebruik sterk verbetert worden.

Dus waarom blijven organisaties volharden in het op de traditionele wijze trainen van hun eindgebruikers, terwijl er toch voldoende bewijs is dat dit simpelweg niet werkt en er in de vorm van elektronische support systemen (voordeligere) alternatieven voor handen zijn?

dinsdag 23 augustus 2011

Social Media in het Hoger Onderwijs: regie of nie?

Hans Outhuis  

Verbieden?

Na de rellen in Engeland begin augustus gingen er al snel stemmen op om social media plat te leggen. Ook Diederik Samson suggereerde dat via twitter.

Blokkeren van onwelgevallige applicaties, voorzieningen of websites gebeurt wel vaker, ook in het hoger onderwijs. We kennen daar binnen onze eigen instelling allemaal wel voorbeelden van. Doorgaans is dat een heilloze weg. Het geeft een hoop gedoe en is in het geval van social media zelden effectief. De recente ontwikkelingen in Noord-Afrika bewezen dat. En gelukkig maar, het gebruik van social media is doorgaans een positieve ontwikkeling ( bleek ook in Noord-Afrika).
Dat geldt ook voor het hoger onderwijs; het maakt nieuwe manieren van kennisdelen mogelijk. Naast centrale bronnen van kennis, delen medewerkers en studenten kennis rechtstreeks met elkaar.

Regisseren en faciliteren
Vrijheid blijheid lijkt een voor de hand liggend uitgangspunt bij het gebruik van social media, maar regie is wel nodig als het gaat om het gebruik van social media binnen de instelling.
Ook Saxion is daarmee bezig.
Het gaat daarbij om vragen als:
  • Wat winnen we als we ermee aan de slag gaan; wat verliezen we als we het gebruik op z’n beloop laten?
  • Wat is de relatie met een ontwikkeling als Het Nieuwe Werken?
  • Hoe verhouden social media zich tot andere vormen van communicatie (intranet, mail) is het (gedeeltelijk) vervanging of komt het erbij?
  • Welke vormen gaan we in de schijnwerpers zetten en geldt dat voor alle doelgroepen (uit een onderzoek van de TU Delft in 2010 bleek twitteren vooral hip te zijn onder oudere jongeren (35-44), maar nauwelijks gebruikt te worden door studenten, )
  • Gaan we spelregels met elkaar afspreken (en welke dan?) of niet
Op welke wijze kan het gebruik van social media gefaciliteerd /gestimuleerd worden:
  • Beschikbaar stellen van systemen en voorzieningen
  • Organiseren (voor anderen dan de “innovators”) van ondersteuning (instructies voor gebruik/ organiseren van zelfhulp/beschikbaar stellen best practices)
  • ?
Het belang van regisseren en facilteren werd me deze maand (augustus 2011) ook duidelijk toen ik het vakantievoornemen uitvoerde om de stap te maken van een passief naar een actief gebruiker van socialmedia (http://hansouthuis.blogspot.com/)

Samenwerken!
Wat ook moet is samenwerken op dit gebied. Als Hoger Onderwijs-instellingen hadden we er in het verleden er een handje van zelf op allerlei terreinen het wiel uit te willen vinden. Gelukkig is dat veranderd. SURF heeft daar een belangrijke rol in gespeeld. De samenwerkingsinfrastructuur SURFConext is een van de vele voorbeelden van die samenwerking. Bij die infrastructuur zijn ook social media een aandachtspunt. De vragen die ik hierboven beschreef spelen natuurlijk bij alle instellingen. Zonde, omdat ieder voor zich te gaan bedenken.

Laten we daar maar eens wat regie op gaan voeren.

Hans Outhuis is Corporate Informatiemanager bij Saxion en lid van het DB van het CIO-beraad van SURF

donderdag 18 augustus 2011

We starten weer. Wat staat ons te w8en?

Innoveren tegen de bezuinigings- en crisisdriften in. Een eerste reflex is om dat maar even te laten. Er zijn belangrijker zaken. Ik denk dat ons dat pas echt geld gaat kosten. Maar wellicht is het nu juist OOK de tijd om de bakens wat meer te verzetten naar diepere implementaties van zaken waarvan we weten dat die ingezet en succesvol (hopen we) zullen zijn. En wanneer we dat hopen om kunnen zetten in kwalitatief gemeten succes (of gemeten niet succes). Dan vullen we de roep van bestuurlijk Nederland in.

KWALITEIT van het onderwijs en dan geen rare fratsen (hoezo jongens- en meisjes klassen? Da’s hormonale zelfmoord of zo iets). Nee, laten we nu eens onderzoeken hoe we het onderwijs met alle bedachte innovatieve ideeën werkelijk beter maken of hebben gemaakt. SURF’s initiatief om te onderzoeken of Learning Analytics daarin een rol kan spelen lijkt me heel gezond. Onderwijskundige soms in combinatie met organisatorische vragen beantwoorden met behulp van goede onderzoekers, data-analysten, onderwijskundigen, futurologen, werkvloerdeskundigen en andere leidende voorwerpen zoals studenten (zowel jongens als meisjes, met of zonder rood haar, technisch of juist alfa’s, …….). Data is wel voor handen, maar hoe krijg je die nu op een goede manier boven tafel? Niet op globaal niveau maar op specifiek niveau, wat bij opleiding A werkt hoeft beslist geen succes bij opleiding B te zijn. Nog specifieker is het meten op student niveau, dat moet gewoon willen we maatwerk leveren, dus laten we de juristen er dan ook maar gelijk bij betrekken, want naast dat er veel kan hebben we natuurlijk ook met de privacy wetgeving te maken..... Wanneer we echter de data op een goede manier ter beschikking hebben, kunnen we er ook wat mee, denk ik. Makkelijk is dat allemaal niet, wel een klus om eens goed de tanden in te zetten.

En dan vertalen naar beleid, wat decentraal en wat (nog) centraal. Maar…. laten we niet vergeten dat het toch echt op de werkvloer moet gebeuren, dus beloon daar de innovatieve ideeën en probeer die meer generiek te maken bij gebleken succes! Daag studenten uit om gewaagde experimenten uit te voeren, faciliteer dat..

Kortom er is en blijft genoeg te doen (ik ga zo even mijn nieuwe smarttop met mijn 3D printer printen en via mijn Ipad 3 connection ff vol “storen bij iTunes”).

Ik ben dan ook weer heel benieuwd naar de komende bijdragen in dit Multi Blog. Kom op blijf signaleren, prikkelen en uitdagen. Heerlijk!

zaterdag 16 juli 2011

’n Half jaar blog onderwijsinnovatie

Het blog mag zich de laatste tijd verheugen op zo tussen de 250 en 300 dagelijkse bezoekers. Berichten die gaan over de directe onderwijsinnovatie en de werkvloer in casu de student/docent mogen zich het meest verheugen op “gelezen te worden”.

Verder valt mij op dat de lezers van het blog het ook bij lezen laten, interactiviteit als waarderen, reageren of commentaar geven zit niet zo in het bloed van dit bloglezers publiek, wellicht dat dit ook wel algemeen geldt voor blogging. Wie weet mag het roepen!

Opvallend is de nummer 1 die gaat over een onderzoek wat de studenten nu echt willen. Daar moeten we meer mee en dit heb ik dan ook al aangeslingerd. Zo is het idee om een dergelijke vragenlijst “Hoger Onderwijs breed” in te gaan steken via SURF. Natuurlijk speelt SURF hier ook op in via het programma in oprichting over Learning Analytics.

De top vijf van meest gelezen berichten:
1. Wat willen studenten met ICT in he onderwijs? 865 keer
2. De meerwaarde van het gebruik van "mobile" binnen een ELO. 630 keer
3. Overkill aan ICT congressen hindert onderwijsinnovatie. 625 keer
4. Onderwijsinnovatie versnellen ZSM met LQ. 486 keer
5. Het einde van de iPad. 355 keer

Uiteraard komt het lezerspubliek voornamelijk uit NL, maar kennelijk zijn er ook nog steeds veel NL-ers in België (kunnen natuurlijk ook de Vlamingen zijn ;-), FR en VS.

Internet Explorer (26%) wordt op de hielen gezeten door Firefox (18%) als browser en Thunderbird (17%) als nieuwslezer. Windows (62%) is nog steeds ver uit het meest gebruikte besturingssysteem onder de bezoekers van dit blog.

Verwijzingen komen nog steeds het meest via Google (58%) en de opkomst via Twitter is groot.
Ook zie je dat sommige blogschrijvers hun eigen aanhang naar de site hebben weten te leiden.

Ik moet zeggen dat de meeste blogschrijvers keurig op tijd hun berichten hebben aangeleverd. Ik heb ze van te voren in een schema van twee schrijvers per week geplaatst en tot november 2011 zit dat schema vol.

Nieuwe schrijvers zijn altijd van harte welkom. Persoonlijk hoor ik uit het veld dat de lezers juist de diversiteit op prijs stellen. Het is niet de mening van die ene man of vrouw en de verschillende invalshoeken zijn juist erg verrassend. Negatieve geluiden zijn mij nog niet ter ore gekomen, ik hou me natuurlijk altijd aanbevolen voor verbetersuggesties.

Voor degenen onder de lezers of voor potentiële lezers heb ik het eerste half jaar in een “boekvorm” als pdf samengesteld. Dat is misschien een mooie verzamelbundel voor als je eens wat wilt teruglezen en niet perse “on screen”. Ook als weggevertje leuk?

Het blog gaat met vakantie en zal 22 augustus weer verder gaan. Misschien dat ik me tijdens de vakantie even niet in kan houden en toch nog wat kwijt moet, maar dat zijn dan extra edities; “for free as usual”, hoewel ik me heb voorgenomen om me deze vakantie los te rukken van laptop, iPad, Tweetdeck, enz, want er is meer op deze wereld. (Gelukkig heb ik mijn iPhone nog voor als ik te veel ontwenningsverschijnselen krijg of om af en toe eens even te “spieken”).

vrijdag 15 juli 2011

Op naar de twaalfjescultuur

Roel Smabers, directeur/eigenaar Parantion

Zijn we blij met hoe we nu toetsen? Allemaal tevreden met de mogelijkheden die systemen bieden? En het gemak? Niet echt. Maar er is niks beters, hoor je dan. Het is op zich niet nieuw dat systemen nooit precies aansluiten bij wat we in de praktijk nodig hebben. Zeker niet als die praktijk verandert.


Vaak ligt de oorzaak in de erfenis, of ‘legacy’ van de systemen, maar ook van de organisaties. Processen stammen nog uit de tijd van de boekdrukkunst en zijn afgestemd op het verwerken van papier. Ik veroordeel dit niet, maar constateer het. We automatiseren de werkelijkheid die is gebaseerd op een papieren tijdperk. We automatiseren de cursus-gedreven onderwijscultuur en perfectioneren dit steeds verder.

Ik loop zelf rond in deze wereld en zit steeds meer met de vraag of dit niet een heel suboptimale weg is? Om te voorkomen om dan in een onuitvoerbare academische discussie te geraken, loop ik zo wat van de vragen die dit oproept langs, en beschrijf ik wat ontwikkelingen die volgens mij wel de goeie kant op gaan.

In dit blogtikel kijk ik naar toetsen en beoordelen. Wat is dit voor vreemd fenomeen, bekeken vanuit een wat meer sociologisch perspectief? Vandaaruit blik ik wat vooruit, uit de brainstormsessies die ik de afgelopen maanden heb gehad met een aantal mensen die ‘iets hebben met toetsen’ , vooral in de Zorg maar ook in andere onderwijstakken. Een paar nog ruwe, oude, nieuwe en andere ideeën.

Perspectief
Vorig jaar op de Educause zei een spreker over gaming: onderwijs is eigenlijk één grote game. Wij hebben er alleen een hele slechte van gemaakt.

Als ik terugkijk op naar mijn eigen opleidingsjaren, dan begon school pas te leven in de stages. Toen begreep ik waar al die theorie, die nog was blijven hangen, voor nodig was. En pas toen ik zelf een keuze kon maken voor een opleiding die bij me paste, kwam ik uit de 6-jes regen. Ik kreeg zowaar lol in leren.

Er lijkt een verhouding te zijn tussen (intrinsieke) motivatie en wat we van het systeem moeten en de praktijk betekenis van het leren (context rijk leren). Hoewel niet wetenschappelijk bewezen lijkt het op de bovenstaande figuur.

Dus de mate van vrijwilligheid, en de relatie met het nut zijn van belang. Op zich is de gedachte van het competentie-leren in theorie dan zo gek nog niet. Leren in de context van de (beroeps)praktijk. Aansluiten bij de praktijk. Alleen hoe meet je de resultaten? Hoe organiseer je het onderwijs? En hoe zorg je dat docenten er mee uit de voeten kunnen. Ze hebben namelijk steeds meer geleerd om een deelgebied te doceren.

En zoals Edgar Schein al zei:
als je een olifant doormidden knipt, krijg je geen twee kleine olifantjes, maar een enorme smeerboel.
 

Innovatie Is hiermee ook de onderwijs innovatie failliet? Gelukkig niet. Wel zijn bijna alle innovatiemanagers wegbezuinigd, is het woord innovatie uit alle projecten geschrapt en is de meeste lucht uit de projecten gefietst.

Wat overblijft zijn, als je alle projecten los van elkaar bekijkt, projecten die praktisch bruikbaar zijn en vaak goede ideeën opleveren. Het wordt pas echt interessant als je al die projecten naast elkaar legt. Je ziet dan in grote lijn waar het naar toe lijkt te gaan.

Hieronder volgt een paar voorbeelden van projecten. In deel twee gaan we in op de integratie en waar het naar toe gaat…

· Peer review TU Delft: peer evaluatietool

· Doorstromen in de keten: publicatie en presentatie volgt op de Surf Onderwijs Dagen. Een project waarin doorstroming van MBO naar HBO in beeld is gebracht. Met name het koppelen van kwalificaties van de twee opleidingen en matchen van die kwalificaties van studenten aan een project en zo een optimaal team met HBO-ers en MBO-ers te formeren. Bij dit project zijn de Hogeschool Utrecht en Saxion vanuit competenties blijven denken en wisten toch een bruikbaar meetinstrument te ontwikkelen. De complexiteit is dat competenties wel te meten zijn, maar dan zoveel indicatoren om de hoek komen kijken, en er zoveel gescoord moet worden dat het administratief niet meer te doen. Het ZelCom model, dat als een soort DNA van een ‘toets’, (toets in dit geval als theorietoets, praktijkopdracht, stage) en van het te toetsen object. Dit model zal overigens later dit jaar een uitgebreid artikel over verschijnen.

· Personal Development Portfolio: 26 verschillende curricula met allemaal hun eigen toets en beoordelingsformulieren voor alle specialismen in een ziekenhuis. Een leeromgeving op maat en toch beheersbaar.



Een doorkijkje van waar het naar toe gaat
Zoals gezegd zal ik in deel 2 van dit artikel proberen hier een beeld van te kunnen schetsen. Na de zomer gaan we aan de slag met een aantal projecten waarin de integratie van belang is. Enquête achtige oplossingen, gecombineerd met itembanken, waar social media achtige oplossingen helpen om met elkaar vragen te maken en te ‘ranken’, matching van kwalificaties met opdrachten en combinatie van dit alles in een persoonlijke mobiele omgeving waar weer collectief data uitgehaald kan worden voor onderzoek en toetsen ingezet kunnen worden.

Dit artikel werd voor een blog te lang. Dus heb ik het in twee stukken geknipt. Deel 2 volgt na de zomer.

Fijne vakantie….!

maandag 11 juli 2011

Een innovatieve opleiding genereert zijn eigen werkveld

Bas Olde Hampsink
Manager Innovation, School of Creative Technology, Saxion


De kwaliteit van het HBO moet omhoog. Volgens onze staatssecretaris gaat dat lukken door eerste jaars studenten kennis te laten maken met het uiteindelijke beroep waarvoor hij of zij wordt opgeleidt.

Maar….. dan moet dat beroep wel helder zijn. Laat dat nu net haaks staan op opleidingen die INNOVATIE hoog in het vaandel hebben staan.

Want moeten we ook niet innoveren van de regering!!!!!


Als je een huidige eerste jaars student Media of ICT moet duidelijk maken hoe zijn beroep er over pakweg 3 a 4 jaar uitziet dan ben je voorwaar een helderziende.

Even terugblikken dan maar. Huidige afgestudeerde studenten ICT komen in een wereld waar het momenteel draait om apps en mobile en niet meer om ‘internet’. Hadden we dat vier jaar geleden aan hen kunnen vertellen. Nee, natuurlijk niet.

Zo’n vergelijking kun je ook opstellen voor de Media sector. Denk maar even aan de huidige impact van social media in vergelijking met vier jaar geleden. De technologie innoveert zo snel dat het onmogelijk is om dit over een periode van langer dan een jaar te voorspellen.

En dan nog even het bedrijfsleven. Zij zouden het HBO moeten vertellen wat ze nodig hebben. Nou, mooi niet. En dat snap ik wel. Zij willen graag de voordelen van die nieuwe technologien gaan gebruiken maar weten niet hoe.

En daar kan het HBO nou mooi op inspelen.

Ontwerp een didactisch model waarbij het bedrijfsleven, samen met de studenten en docenten van het HBO, op zoek gaan naar nieuwe oplossingen voor dat bedrijfsleven. Het gaat dus om het zoeken. Dit kun je natuurlijk vertalen naar ‘onderzoeken’. Per definitie is de uitkomst ongewis. Maar Innovatie staat voorop en de student en het bedrijfsleven leren beide. Hier zit ook een link naar kennisvalorisatie. Natuurlijk moet dit proces deskundig begeleidt worden door docenten.

Dus er zijn volop kansen voor het HBO als we er de kans maar voor krijgen.

zaterdag 2 juli 2011

Presteren in HO, yes we can?

Natuurlijk gaan de 16 miljoen bondscoaches weer wat roepen over de plannen uit het SER Rapport strategische agenda hoger onderwijs en dus staan de media er bol van.

De kwaliteit moet omhoog van student en docent. Dat gaan we natuurlijk bereiken door betere selectie, betere docenten, begeleiding bij de studiekeuze, VWO-ers naar het HBO, meer dan 10 uur! contacttijd, minder opleidingen, weg met de 6-jes cultuur, klassen maken, zitten blijven kan. Mooi, goed zo! Hier kan niemand op tegen zijn.

Gelukkig hebben wij Blackboard als leeromgeving (net voor 1,6 biljoen verkocht overigens), die is het best in courses (lees modules, lees vakken) in vaste groepen. Dus daar zitten we goed, even niets meer aan doen lijkt me. Dan kunnen we ook klassikaal toetsen, we hebben Teleform zodat we op papier toetsen afnemen en de digitale toetsomgeving gebruiken voor toetsconstructie en analyse. We gebruiken video ondermeer om de studenten ingewikkelde materie herhaald aan te bieden. Nog mooier de docent ziet zichzelf en vindt vaak dat hij het beter kan uitvoeren (kwaliteitsverbetering van het onderwijs).

Wanneer ik nu kijk naar alle ontwikkelingen die worden voorgesteld en ik kijk naar de “innovatie” of uitvoering van het onderwijs met behulp van ICT in relatie tot de lat hoger leggen dan zie ik:

1. verplichte deskundigheidsbevordering (naast dat ze master moeten zijn in 2020) van de docent op didactiek in een digitale leeromgeving (met name in het HBO hebben we veel vakinhoudelijke specialisten, de didactisch/pedagogische deskundigheid is er niet of minimaal). Opnemen in de gesprekscyclus en bij beoordelingsgesprekken…… Kansen voor de SURF academy, daar waar mogelijk met de lokale “academies” en “op lokatie”.

2. Trainingen en workshops kwaliteit van digitaal toetsen en gebruik van video. Hoe maak je eigenlijk goede toetsen? Hoe analyseer je dat en doe je daar dan ook wat mee? Goede toetsing leidt tot goed leren, toch?

3. Learning analytics irt gebruik van de DLO door docent, student en onderwijskwaliteit. Laten we in plaats van maar te blijven roepen met ons onderbuikgevoel eens trachten te “bewijzen” wat wel en niet werkt. Je kunt wel zeggen dat je met buitenspelers het beste voetbal speelt, maar hoe zit dat met het wereldkampioenschap?

4. Begeleiden en volgen van de student in de DLO, procesmatig onderwijsdashboard (zie bijvoorbeeld de uitwerkingen in de SURF projecten als DINK of Kies Actief) een samenvatting van hoe de student er voor staat (dus toch een portal-achtige omgeving? Ik bedoel hier niet de cijfers, dat is geen procesbegeleiding maar beoordeling).

5. Ook goed om naar te kijken als idee: elektronische lessen als lestijd

6. Adaptieve leermomenten als instructie en help in DLO, hints, tips en voorkomen van onnodige valkuilen, zonder dat je daar de docenttijd voor hoeft te gebruiken.

7. Internationalisering als topic. Virtuele mobiliteit (formele kant) via de DLO laten lopen. Meer aandacht voor video conferencing en web 2.0 functionaliteiten in formele omgeving, let op ik bedoel hier dus nadrukkelijk niet allerlei informele omgevingen maar wel het ontsluiten van de mogelijkheden binnen onze DLO (blog, wiki, chat, discussielijsten enz.). Zie ook punt 1, scholing in het didactisch gebruik van een DLO. Hoewel door velen “verdoemd” toch ook maar eens kijken naar afstandsonderwijs

8. …….. vul ze zelf maar in

Natuurlijk moet er dan ook nog aandacht zijn voor any device, de cloud, social media enzo.

Deze bondscoach nummer 15.134.321 ziet dat we moderne middelen moeten inzetten op het ouderwetse onderwijsspelletje, geeft niet de video’s van Wiel Coerver, kappen en draaien zijn ook nog steeds bruikbaar.

We starten gewoon met de nieuwe hervormingen, zonder dat de vorige (verfoeide) ontwikkelingen een kans hebben gehad. Geeft niets dat doen we toch elke zeg 6 jaar. Meer tijd naar de docent (prima idee, vooral meer docenten), minder ondersteuning (prima idee, want immers meer docenten), meer profilering (prima idee, terug naar HTS, HEAO), meer master opgeleide docenten (prima idee, doe er gelijk meer didactiek bij), blijven zitten (prima idee, je kunt niet verder als de basis er niet is).

Je begrijpt het al een beetje kritisch blijven kijken en bepaal je focus, dat is al moeilijk genoeg. Wijk niet in een keer van je koers af. Kijk wat je nu doet, maak het af, dan heb je je profilering en diepgang vast snel te pakken.

Ik gok op: verdiepen inzet DLO (didactiek en analyses), uitbreiden digitale toetsing en inzet van video in het onderwijs. De rest komt dan wel, hoop ik.




dinsdag 28 juni 2011

Meer rendement van Basisschool-ICT, een Post HBO Leergang

Gert J. Muller, Freelance Onderwijs Designer & Researcher

Het afgelopen jaar had ik het genoegen om een Post HBO Leergang ‘Meer rendement van Basisschool-ICT’ te mogen ontwikkelen voor de Saxion Hogeschool. De leergang moest zich richten op medewerkers in het primair onderwijs die reeds in een ICT-functie werkzaam zijn en zich willen ontwikkelen tot een basisschool ICT-Professional op Post-HBO niveau. De leergang moest niet over ICT gaan, maar zich bewegen tussen ‘Beleid Ontwikkelen en Innoveren’. Zowaar een doorbraak en kantelpunt in het denken over wat zogenaamde ICT-coördinatoren aan bagage moeten hebben om meer rendement te halen uit al die ICT-middelen, die op de basisscholen aanwezig zijn. Het heeft een boeiende ontdekkingstocht opgeleverd, voor zowel cursusleiders als voor cursisten. De presentaties van de cursisten over de resultaten, neergelegd in een ICT-Beleidsplan, en hun ontwikkeling waren verrassend. Systeemdenken in een lerende school als leidraad, als we werken aan het leren van de toekomst, dat hebben we als rode draad door de leergang geweven. En dat heeft wat opgeleverd, zo was te merken in de presentaties.

Leidende gedachte
Als leidende gedachte hebben we er voor gekozen dat bij innovaties in het onderwijs curriculumontwikkeling, aanpassing van de infrastructuur en organisatiestructuur hand in hand gaan. Daarbij zien we verandering, volgens Fullan (1991)[1], als een complex sociaal proces, waarin individuen op verschillende niveaus - leerkrachten, leerlingen, management, inspecteurs, lokale en landelijke beleidsmakers - een belangrijke rol spelen.

Systeemdenken, opgevat als een manier van kijken naar de werkelijkheid, het vermogen om relaties te zien en te begrijpen in dynamische systemen, vormt de basis. Door deze manier van kijken leren we het totaalbeeld te zien, niet slechts details. Deze zogenaamde vijfde discipline, volgens Senge (1992)[2], van een lerende organisatie - naast bouwen aan een gezamenlijke visie, ontwikkelen van persoonlijk meesterschap, oog voor mentale modellen en teamleren - vormt de hefboom voor het ontwikkelen in de richting van een lerende school.

Leren om het leren van de toekomst zo in te richten dat we voor leerkrachten en leerlingen op de basisschool een uitdagende leeromgeving inrichten, waarvan een digitale omgeving een niet onbelangrijk onderdeel uitmaakt. Daarvoor moet natuurlijk een adequate ICT infrastructuur aanwezig zijn. Dat zal wel gaan in de richting van het beschikbaar komen van mobiel internet, want volgens Hop & Delver (2009)[3] gebruikt 39 % van de wereldbevolking in 2014 mobiel internet. En alle informatie zit op termijn toch in ‘the cloud’. We moeten het gewoon niet over of van ICT hebben voor het leren van de toekomst, ondanks het feit dat Kennisnet ICT-schaarste in het onderwijs[4] signaleert? Het niet over ICT hebben en het gewoon zien als één van de middelen om onderwijs van de toekomst vorm te geven, dat is een goede gedachte!

Verspieders
Om het onderwijs van vandaag vorm te geven, moeten we als verspieders de toekomst verkennen. Zicht krijgen op welke kant het uitgaat en dat meenemen in het ontwikkelen van beleid, dat is een belangrijke competentie voor de ICT-Professional in de basisschool. Daar hoort bij ‘in de toekomst kijken’, trendanalyse, die toekomstige ontwikkelingen vertalen naar de eigen schoolpraktijk en natuurlijk het belang afwegen voor de eigen schoolontwikkeling.

Bijvoorbeeld in zijn advies ‘Onderwijs en open leermiddelen’ (2008)[5] pleit de Onderwijsraad om de koers vooral te richten op open leermiddelen: digitale leermiddelen die voor een groot deel vrij toegankelijk zijn, en die leerkrachten naar behoeften kunnen arrangeren, aanvullen of veranderen.

De raad vindt het van groot belang dat het momentum voor de digitalisering van het bekostigde onderwijs niet verloren gaat. Hij constateert dat de overheid meer regie moet nemen om de komende vijf jaar, vanaf 2008 dus, een krachtige impuls te geven en dat leerkrachten bij het optimaliseren van het onderwijs de digitale mogelijkheden van met name de open leermiddelen veel meer moeten benutten. Er zijn initiatieven in de richting van het ontwerpen van digitaal lesmateriaal door leraren, die op termijn ook nog gratis beschikbaar zullen komen (Obbink, 2008)[6]. Maar dat zal niet vanzelf gaan en heeft begeleiding nodig van ontwikkelaars en onderzoekers.

Volgens ‘Nederland 2027, het toekomst beeld van het innovatieplatform’ (2005)[7] houdt het leren nooit op en vindt straks leren overal plaats: thuis, op het werk en natuurlijk op school. De vorm zal meer interactief en multimediaal worden en het werken in kleine groepen komt centraal te staan.

De goede ‘vruchten’ uit de toekomst meenemen voor het onderwijs van vandaag, dat is de uitdaging waar de ICT-Professionals onder andere voor komen te staan. Dat hebben we ruim aandacht gegeven in de leergang. Daarbij is gebruik gemaakt van interactieve werkvormen, zoals het KennisCafé, om er voor te zorgen dat de impliciete kennis van elke deelnemer geëxpliciteerd wordt in het te schetsen toekomstperspectief. Een rijke ervaring voor de cursisten met een werkvorm die zij kunnen toepassen in hun eigen schoolsituatie om de ideeën van elke collega ‘boven water’ te krijgen, omdat we weten dat er nogal wat subjectieve concepten onder de oppervlakte blijven.

KennisCafé

Een KennisCafé is een krachtige werkvorm die het mogelijk maakt om een levendige gezamenlijke dialoog op te zetten rondom vragen die er echt toe doen.

Aan verschillende kleine ’cafétafeltjes’ bespreken groepjes van vier à vijf personen een gemeenschappelijk thema.

De resultaten van dit gesprek worden geborgd door ze vast te leggen in een MindMap op het ‘tafelkleed’. Na 20 à 30 minuten wisselen de groepjes van tafel. Eén persoon, de stamgast, blijft achter en draagt het resultaat over aan de volgende groep.

Richtinggevende vragen waren:
  • 1ste ronde: Informatie- en kennisbehoefte van de schoolorganisatie als geheel in beeld brengen, gelet op toekomstige ontwikkelingen! 
  • 2e ronde: Vertaling naar concrete wensen ten aanzien van informatie- en kennisbehoefte voor de toekomst! 
  • 3e ronde: Functionele beschrijving van de gewenste informatie- en kennisbehoefte, en omgezet naar werkende informatie- en kennissystemen voor de toekomst!
Hierboven het resultaat van één van de drie groepen.
Het valt op dat het vooral gaat over toegang tot informatie, kennisuitwisseling en communicatie. De winst zit in de ontwikkeling van een andere houding en het bouwen aan een eigen kijk op de ‘wereld’, die basisschool heet in dit geval.

Laurillard (1993, p. 26)[8] spreekt van:

‘Everyday knowledge is located in our experience of the world. … Academic knowledge is located in our experience of our experience of the world’.

Zij spreekt van ‘mediated learning’ after Vygotsky (1962, p. 102) en dat geeft aardig weer waar het bij de Post-HBO Leergang om draait, het ontwikkelen in de richting van een academische houding. Fullan (2005)[9] noemt dat ‘the new theoretician, system thinkers in action’. Dat zijn ‘reflective practitioners whose theories are lived in action every day’. Dat gaat over leiderschap in alle lagen van de schoolorganisatie. De ICT-Professional moet pendelen tussen het operationele en het strategische niveau van de schoolorganisatie, middle-up-down noemen Nonaka & Takeuchi (1999)[10] dat, voor het creëren van kennis over het inzetten van ICT in zijn lerende school. Wat hij daarvoor nodig heeft wordt beschreven door Fullan (2001)[11] in de vijf kerncompetenties voor leiderschap in een lerende school: morele doelen, inzicht in veranderingsprocessen, bouwen aan relaties, ontwikkelen en delen van kennis en oog voor samenhang. Belangrijke eigenschappen om daaraan te werken zijn: energie, enthousiasme en hoop. Beleid formuleren en dat beschrijven in een ICT-Beleidsplan is één, maar om dat daadwerkelijk te realiseren is veel meer nodig. Daarvoor hebben we cursisten gereedschappen aangereikt, om in te zetten in het innovatieproces.

Innovatie
Uit onderzoek[12] blijkt dat het moeilijk is om op de terreinen van kennis en communicatie innovatief te zijn. Voor een daadwerkelijke innovatie zal er, naast technologische innovatie, veel meer aandacht moeten zijn voor proces- en sociale innovatie. Want uit datzelfde onderzoek komt naar voren dat niet zozeer technologie en technologische kennis, maar vooral de organisatie van processen en de menselijke factor van doorslaggevend belang zijn voor het realiseren van innovaties. Uiteindelijk is innovatie mensenwerk, met een menselijke maat en een menselijk gezicht. Het gaat om het motiveren van mensen en het benutten van hun creativiteit, talenten en ondernemingszin. Daarbij is leiderschap nodig dat oog heeft voor het menselijk kapitaal en hecht aan vertrouwen, vrijheid en verantwoordelijkheid als cultuurkenmerken. Om duurzame onderwijsinnovatie en kennisontwikkeling binnen het onderwijsveld te realiseren, hebben we zo’n cultuur nodig. Een cultuur waar willen uitblinken de norm is, waar durf gewaardeerd wordt en op falen geen stigma rust.

Willen excelleren, ontwikkelen van talenten, heeft reflectie nodig. Na een fase van ‘fast learning’, om bijvoorbeeld een nieuw onderwijsparadigma neer te zetten, moet er tijd zijn voor ‘slow learning’ om de nieuwe ontwikkelingen in te bedden, te internaliseren. Hernieuwde aandacht voor vakmanschap en kennis is nodig voor duurzame innovatie. De waardering hiervoor hebben we in de achterliggende jaren alleen maar zien afnemen. We moeten de tijd nemen en iedereen in het innovatieproces de tijd gunnen. Dat hebben de cursisten goed tussen de oren gekregen, zo is gebleken uit hun presentaties. Dat is in de leergang onder andere duidelijk gemaakt aan de hand van de fabels over ‘Onze IJsberg smelt, succesvol veranderen in moeilijke omstandigheden’[13] en ‘Wie heeft mijn kaas gepikt?, omgaan met veranderingen’[14]. Het gebruik van dit soort middelen werkt, zo is gebleken.

De haas en de schildpad 

In de fabel over de haas en de schildpad, van Jean de La Fontaine (1621-1695) geïnspireerd door werk van Aesopus, houden de twee dieren een wedloop. De haas denkt makkelijk te zullen winnen en spant zich totaal niet in. Onderweg denkt hij gerust een dutje te kunnen doen, maar als hij wakker wordt, heeft de schildpad de finish al bereikt. Zo verliest de haas toch de wedstrijd. De moraal van het verhaal is dat hardlopers doodlopers zijn en dat langzaam-maar-zeker-werk tot goede resultaten leidt. Fullan (2001) gebruikt deze fabel in het slothoofdstuk van ‘Leading in a culture of change’ en trekt daar lessen uit voor leadership dat nodig is om echt veranderingen tot stand te brengen.

Die lessen gaan in richting van het gedrag van de schildpad: ‘The lessons for developing leaders in a culture of change are more tortoise-like than hare-like because they involve slow learning in context over time. … three powerful lessons about leadership that have implications for developing more of it. Fortunately, they are intricately interrelated: the vital paradoxical need for slow learning, the importance of learning in context, and the need for leaders at all levels of the organization, in order to achieve widespread internal commitment.’(p. 121).

Fullan (2001) beëindigt zijn boek met: ‘Ultimately, your leadership in a culture of change will judged as effective or in effective not by who you are as a leader but by what leadership you produce in others. Tortoises, start your engines!’ (p. 137).

Of dan de informatie- en kennissystemen zich in ‘the cloud’ bevinden of straks misschien wel op Mars, dat doet er niet zoveel toe als de informatie maar bereikbaar is en kennis op elk moment uitgewisseld kan worden. Nog belangrijker is het dat mensen in de schoolorganisatie daadwerkelijk informatie toevoegen en kennis met elkaar uitwisselen. Dat is wat de ICT-Professional tot stand moet brengen. Kennisverwerving én kennisconstructie én kenniscreatie in een (digitale) onderwijsleeromgeving zou wel eens de richting voor het leren van de toekomst kunnen zijn. En dat die omgeving dan bereikbaar is via mobiel internet of zo, overal en op elk moment, dat is prima.

[1] Fullan, M.G. (1991). The new meaning of educational change. New York: Teachers College Press.
[2] Senge, P. (1992). De vijfde discipline: de kunst en praktijk van de lerende organisatie. Schiedam: Scriptum Books.
[3] Hop, Liesbeth & Delver, Bamber (2009). De WIFI-generatie, de jeugd op het mobiele internet. vliegensvlug en Vogelvrij. Amsterdam: De Ronde Tafel.
[4] Stichting Kennisnet (2010). Vier in Balans Monitor 2010. ICT in het onderwijs: de stand van zaken. Zoetermeer: Kennisnet.
[5] Onderwijsraad (2008). Onderwijs en open leermiddelen. Den Haag: Onderwijsraad.
[6] Obbink, Hanne (2008). Leraren springen zelf in het gat dat de educatieve uitgevers laten liggen. Digitaal lesmateriaal wordt vaker gratis. In: Trouw van dinsdag 14 Oktober 2008.
[7] Innovatieplatform (2005). Nederland 2027, het toekomst beeld van het innovatieplatform. Den Haag: Innovatieplatform.
[8] Laurillard, Diana (1993). Rethinking University Teaching, a framework for the effective use of educational technology. London: Routledge.
[9] Fullan, Michael (2005). Leadership & sustainability. System Thinkers in Action. Tousand Oaks, California: Corwin Press.
[10] Nonaka, Ikujiro & Takeuchi, Hirotaka (1999). De kenniscreërende onderneming, hoe Japanse bedrijven innovatieprocessen in gang zetten.Schiedam: Scriptum.
[11] Fullan, Michael (2001). Leading in a culture of change. San Francisco: John Wiley & Sons.
[12] Poucke, A.B.M., van (2004). Towards Radical Innovation in Knowledge Intensive Service Firms. Rotterdam: Promotieonderzoek, Erasmus Universiteit Rotterdam.
[13] Kotter, John & Rathgeber, Holger (2006). Onze IJsberg smelt, succesvol veranderen in moeilijke omstandigheden’. Amsterdam: Uitgeverij Business Contact.
[14] Johson, Spencer & Blanchard, Kenneth (2003). Wie heeft mijn kaas gepikt?, omgaan met veranderingen. Amsterdam: Uitgeverij Business Contact.

donderdag 23 juni 2011

Learning Analytics

Hoe een SURF bijeenkomst je mening aanzienlijk kan bijstellen….
Ik dacht bij dit onderwerp aan Amerikaanse toestanden van 88000 studenten gebruiken Blackboard van 90000 on campus. Daarvan studeert 40% van 3 uur ’s nachts tot
4 uur 33 AM. Leuk om te weten dat en wanneer je duur betaalde spullenboel wordt gebruikt, helemaal voor de financial controller.

Maar zie daar: John Doove pakt me in met zijn enthousiaste presentatie over Learning Analytics. Dat SURF deze ontwikkeling uit het door EDUCAUSE Learning initiative en the New Media Consortium van 2011 Horizon Report heeft gehaald en naar een Nederlands programma wil tillen begrijp ik nu dan ook.

Hij wil naar kwalitatieve indicatoren die je in bijvoorbeeld de DLO kunt onderzoeken. Een moeilijke opdracht maar zeker een interessante. Zo schreef Eus van Hove eens dat je in Blackboard een voorwaardelijke toets kunt gebruiken. Wanneer je die haalt krijg je de vervolgstof te zien in je DLO. Dat is voortborduren op kennis die je dan onder de knie hebt. Een goed didactisch principe. Of niet? Kunnen we dan vergelijken of studenten die op deze wijze in de DLO werken beter scoren dan studenten die dat niet doen? Daar kun je nog veel dieper over doordenken en dat lijkt me nu wel aan John besteed.

Ook Willem van Valkenburg laat in zijn presentatie (volgens mij in Leeds) zien hoe de TU Delft er al mee bezig is. Wanneer je weet wat de docenten en studenten gebruiken, in Blackboard in dit geval, kun je ook sturen op wat er “meer” te halen of te doen is. Beter didactisch gebruik, meer resultaat? Interessante ontwikkelingen dat zeker. Ik heb de omgeving Eesysoft waar Willem over rept bekeken en ben ook met hen in gesprek geraakt, ik zie daar zeker kansen liggen, scheelt je nog help- en instructie tijd ook!

Tot slot in deze overpeinzing: gebruiken de HBO-docenten die natuurlijk allemaal zeker vakman/vrouw zijn op de inhoud die ze doceren wel alle didactische mogelijkheden. Kennen ze die wel? Docent is aan de ene kant inhoudelijk vakmanschap en aan de andere kant didactisch/pedagogisch vakmanschap. Winst valt denk ik zeker te halen in dat tweede deel. Veel van onze docenten komen uit het bedrijfsleven. Hebben dan nog wellicht een didactische aantekening gehaald, maar die is in verhouding wel aan de “magere” kant ten opzichte van bijvoorbeeld een lerarenopleiding.

Wanneer we dus het gebruik van een DLO door middel van Learning Analytics kunnen koppelen aan de kwaliteit van het onderwijs dan lijkt me dat geweldig! John ik ben om, al was het alleen al om eens met bewijzen voor die kwaliteit te komen en dat is meer dan de vraag of de studenten wel tevreden zijn….. En nu ik toch bezig ben zou ik nog graag even teruggrijpen op mijn blogbericht op SURFspace waarin ik schreef dat je dan wel een wat langduriger koers moet inzetten en je niet na een jaar weer van die koers moet laten verdrijven, dat geld zeker bij dit soort onderzoeken. Dus als we “ja” zeggen dan graag ook voor een tiental jaar?
Doen, lijkt me.

maandag 20 juni 2011

Op naar het volgende innovatieve jaar!

Ellen Kuipers
Zo aan het eind van het studiejaar is het tijd om eens even terugblikken op het academisch jaar 2010-2011 en laat ik dan inzoomen op innovatie. Eens even zien:
  • innovatief aanbesteden 
  • innovatieregeling 2010 met ‘Talent’ 
  • meest innovatieve sessie SamSam2011 
  • OER 
  • pilot met tablets


    Innovatief aanbesteden
    Het gunnen op basis van prijs en kwaliteitsaspecten -EMVI strategie: Economisch Meest Voordelige Inschrijving- wordt bestempeld als innovatief. Het is de strategie die we afgelopen jaar bij de HAN hebben gebruikt tijdens de aanbesteding van een nieuw SIS. Een prima onderwerp, echter het aanbestedingstraject bij de HAN is nog niet helemaal achter de rug. Derhalve kan ik op dit moment hier nog niets over schrijven.

    Innovatieregeling 2010 met ‘Talent’
    Ik heb meegedaan aan de  Innovatieregeling 2010 met een prachtig platform: Talent. Samen met een collega is een aantal jaar geleden het idee voor het platform ontstaan. Mijn collega had een duidelijke visie op het leren van een vreemde taal en de rol van feedback in het leerproces. Ikzelf liep al heel lang rond met een idee over interactieve weblectures. Mijn visie op weblectures is niet de meest gangbare. Zo heb ik nooit echt de toegevoegde waarde ingezien van het opnemen en vervolgens uitleveren van een 90 minuten durend college. Volgens mij zijn studenten tijdens zelfstudie (JIT) juist eerder op zoek naar korte fragmenten waarin duidelijk een bepaald onderwerp wordt uitgelegd, om nog maar te zwijgen over het feit dat mensen zich zo’n 20 minuten erg goed kunnen concentreren, en daarna neemt het concentratievermogen af. Vandaar dat wij docenten 1 specifiek onderwerp laten uitleggen in een weblecture van maximaal 16 minuten. Erg leuk overigens om op deze blog een bijdrage van Heino te lezen over VLA. Ik ben het er helemaal mee eens! Dit geluid hoor je de laatste tijd steeds meer, gelukkig. Uiteindelijk hebben we ongeveer 2 jaar geleden Wortell in de arm genomen om het platform te ontwikkelen. En zo is Talent ontstaan. Talent is een educational community dat nu bij de Faculteit Economie en Management wordt ingezet voor interactieve weblectures en video opdrachten. Studenten leren door middel van de feedback loop doordat zij elkaar feedback geven. Het uitgangspunt van de interactieve weblectures is dat studenten elkaars begrip van de leerstof kunnen verbeteren door interactieve bijdragen te leveren, door samen te werken, door kennis te delen en door cocreatie. In Talent kunnen studenten een uitleg (weblecture) bekijken en voorzien van extra informatie over het betreffende onderwerp en dit delen binnen Talent, studenten verrijken de weblecture. Zij kunnen bijdragen leveren in de vorm van een video, link, document, opmerking, uitleg, een tip geven, een vraag stellen of beantwoorden, enz. Door het interactieve element gaan studenten op een andere manier met de leerstof om, zij worden meer gestimuleerd om na te denken over de leerstof en zullen daardoor betere toetsresultaten behalen. Verder wordt Talent ingezet bij opdrachten waarbij studenten elkaar feedback geven. Studenten krijgen bijvoorbeeld een opdracht om hun communicatieve vaardigheden in een vreemde taal te oefenen. Een opdracht kan zijn dat studenten in een video in 2 minuten een foto van een familielid moeten beschrijven waarbij ze bepaalde grammaticale constructies en/of vocabulaire moeten gebruiken. Deze korte video plaatsen de studenten in Talent, vervolgens geven zij elkaar feedback op hun leerprestatie (een klas wordt opgedeeld in kleinere subgroepjes van 4 studenten die elkaar feedback geven). Studenten verbeteren hun eigen taalvaardigheid en hun kennis van de vreemde taal door elkaar te helpen doordat zij elkaar waardevolle feedback geven. Het continue proces van beoordelen, verbeteren, het van elkaar leren is erg waardevol voor de student en diens leerproces.

    In dezen wordt mijn enthousiasme lang niet altijd gedeeld. Daar is dan die natuurlijke weerstand weer. ‘Dan ga ik weblectures opnemen en vervolgens gaat dat ding mij vervangen en krijg ik minder uren’. Dan moet ik weer denken aan een uitspraak van Sugata Mitra: “If you can replace a lecturer by a computer, you should!” Ik snap die angst wel, maar het is niet reeël. Volgens mij geven mijn collega’s goed les, en zijn zij erg inspirerend, natuurlijk kunnen computers hen niet vervangen! Gelukkig zijn er ook collega’s die graag aan de slag gaan met dit soort innovaties, en zodoende krijgen we langzaam maar zeker steeds meer weblectures en steeds meer video opdrachten in Talent. Wat vinden de studenten ervan? Op dit moment heb ik een survey uitgezet, dus die resultaten moet ik je nog even schuldig blijven. Tot nu toe heb ik slechts 1 punt van kritiek gekregen van studenten: ‘waarom hebben niet alle vakken hun weblectures in Talent geplaatst?’

    Meest innovatieve sessie SamSam2011
    Eind april was SamSam2011. Daar won ik de prijs voor meest innovatieve sessie: een grote bos bloemen. Erg leuk om collega’s te kunnen inspireren!

    OER: Open Educational Resources

    Op Educause 2010 heb ik een sessie bijgewoond over dit thema. Erg boeiend, en vooral ook vernieuwend. Althans voor mij. SURF heeft in december de Special Interest Group Open Educational Resources opgericht (SIG OER). Ik ben lid geworden van het kernteam. Niet omdat we bij de HAN al bezig zijn met OER, maar wel omdat ik OER en kennisdeling rondom OER belangrijk vind. Op dit moment probeer ik collega’s vooral OER aware te maken. Een volgende stap richting OER is de Creative Commons licentie: docenten op HBO-instellingen zouden moeten kunnen publiceren onder een Creative Commons licentie ten behoeve van open onderwijs, kennisdeling. Op dit moment kan dat niet omdat hetgeen een HBO-docent produceert voor zijn werk, eigendom is van de instelling.

    Het mooie aan OER is dat de lerende centraal wordt gesteld en dat kennis en onderwijs toegankelijk worden voor iedereen. In Nederland zijn we op dit moment nog niet zo heel ver op dit gebied. In de UK daarentegen leeft het onderwerp veel meer. JISC heeft de laatste jaren enorm veel geld geïnvesteerd in OER-projecten. Een aantal leden van het kernteam van de SIG OER is naar de OER11 conference in Manchester geweest. We hebben er mooie voorbeelden van OER gezien. Lees onze OpenEducationalResources blog en de OER11 Scoop.it.

    Pilot met tablets Tablets, het valt op dat steeds meer mensen er een hebben. Ik vraag me dan af of het een gadget is, een hebbedingetje waarmee je laat zien dat je vooroploopt of dat het gewoon echt een superhandig apparaat is waar je heel veel mee kunt. Is het voor de show of is het ook gewoon handig?

    Op school zitten studenten te werken op hun laptop, en lijken ze vergroeid te zijn met hun smartphone. Wellicht hebben al onze studenten over een jaar of 3 een tablet? Of niet?

    Afgelopen semester heeft een vierdejaars student van de opleiding Management, Economie en Recht een onderzoek gedaan naar de mogelijkheden om tablets in het onderwijs te gebruiken. Is het een toegevoegde waarde in het onderwijs? Dient het de student, de docent, de colleges? Of dient het eigenlijk nergens toe, is het alleen maar een leuk hebbedingetje? Of kan het zo zijn dat tablets maken dat we straks geen papier meer nodig hebben?

    In totaal hebben 18 personen deelgenomen aan de pilot. Dit waren zowel docenten als studenten. De tablets uit deze pilot zijn:
    • Samsung Galaxy Tab;  
    • iPad;
    • WeTab;
    • ViewSonic;
    • Dell DUO;
    Elke deelnemer kreeg elke paar weken een andere tablet in gebruik. Tijdens de pilot zijn er meerdere bijeenkomsten geweest die in het teken stonden van het delen van kennis en ervaringen, dat vonden de deelnemers erg waardevol. De conclusies en aanbevelingen moeten nog worden gepubliceerd, maar enkele dingen die er tot nu toe uitsprongen en die ik alvast kan noemen, zijn:
    1. het 10 inch scherm wordt als fijner ervaren dan het 7 inch scherm
    2. twee belangrijke voorwaarden zijn:
        a. een goede aanraakgevoeligheid
        b. de helderheid van het scherm
    3. het besturingssysteem van iPad of Galaxy Tab hebben beiden hun voor- en nadelen, een specifieke
        voorkeur (zoals bijvoorbeeld bij de grootte van het scherm) lijkt niet aanwezig te zijn: er is in dezen
        sprake van een persoonlijke voorkeur
    4. digitale readers worden als zeer positief ervaren, er is wel een aantal kleine kanttekeningen:
        a. geen mogelijkheid tot aantekeningen maken (dit lijkt opgelost te zijn bij nieuwe tablet versies)
        b. pdf versies zijn ‘zwaar’ voor de tablet
      Een duidelijke aanbeveling die nu al gedaan kan worden is dat we voor wat betreft een tablet nu nog geen definitieve keuze moeten maken, het is verstandig de bredere oriëntatie voort te zetten. Ook is al duidelijk dat we na de zomervakantie verder gaan met een vervolgpilot. Daar willen we meer partijen bij betrekken, zoals bijvoorbeeld ICT (fysieke helpdesk, opstellen FAQ’s, ...), Informatiekunde (converteren reader naar e-book bestand), Readerbureau (betrekken uitgeverijen?). Verder willen we meer rekening houden met de nieuwe ontwikkelingen binnen de tablets markt (dual screen, los toetsenbord, …), en we willen een aantal recent verschenen tablets toevoegen aan de pilot.

      Een mooi voorbeeld van de toepassing van tablets in het onderwijs zag ik op de OER11 conference in Manchester tijdens een presentatie van iTunesU. Een nieuwe opkomende trend wat wellicht de toekomst is zijn de zogenaamde interactive e-books. Een prachtig voorbeeld daarvan is Our Choice van Al Gore. Zou het niet geweldig zijn als alle studieboeken zo interactief zouden worden aangeboden? Ik denk dat studenten dan minder zullen klagen over de hoeveelheid leeswerk, over de hoeveelheid boeken die ze soms moeten meesjouwen, over de kosten van die, en dat ze zich zullen focussen op de content.

      Innovatie. Voor mij heeft dit woord een positieve lading. Het roept enthousiasme op bij me, ik krijg er energie van. Als veranderkundige heb ik natuurlijk ook gemerkt dat mijn enthousiasme voor innovatie lang niet altijd wordt gedeeld. Innovatie roept vaak een soort natuurlijke weerstand op bij mensen. Dat is nou eenmaal zo. Ik focus dan vooral op hetgeen dat al groeit, en geef het water.

      En nu, zo vlak voor de zomervakantie, kijk ik met veel plezier terug op een collegejaar van kwalitatief goed HBO-onderwijs, innovatief aanbesteden, interessante congressen, OER, Talent, innovatie, weerstand en verandermanagement. Kortom het was een innovatief jaar! Op naar het volgende!

      dinsdag 14 juni 2011

      Moord door serious gaming?

      Jeffrey Janssen

      Maak hem af! Schiet ze neer! Owned him! Sniper op 3! Ik heb artillery nodig!

      Zomaar wat termen als je een willekeurige ruimte inloopt waar onze belangrijkste doelgroep een spelend samenzijn met behulp van computers heeft georganiseerd. Deze puberende LAN-party-gangers zijn alleen maar bezig met dood en verderf. Gelukkig nog wel virtueel, alhoewel een enkeling de grens naar de realiteit in zijn enthousiasme niet meer zo helder voor ogen heeft en de media weer bol staan met de verderfelijkheid van de direct te verbieden games.

      Het gekke is dat die jongeren die de grens niet altijd even helder zien, én die ook niet doorslaan naar de toepassing in de realiteit, nou juist een belangrijk aandeel vormt van de aanmeldingen voor een opleiding tot officier of onderofficier bij de Nederlandse krijgsmacht.

      Het duidelijkste en internationaal meest aansprekende voorbeeld hiervan is wel het spel America’s Army, dat door de Amerikaanse krijgsmacht is ontwikkeld. Dat is inmiddels verworden tot het meest succesvolle wervingsinstrument voor de aanwas van nieuwe recruten. Het spel wordt gratis aangeboden via Internet en wordt mede daardoor veelvuldig gespeeld. De uitblinkers in het spel worden door de krijgsmacht uitgenodigd voor een werving en selectie gesprek. En als je behoort tot de beste van het virtuele elitecorps, dan zorgt je grootheidswaanzin er wel voor dat je je dat ook wilt voelen (en ook bent natuurlijk!) in real life… Aldus… weer een nieuwe recruut. Missie voltooid!

      Het kost vervolgens wel even wat tijd om de ‘geromantiseerde’ virtuele wereld uit hun systemen te krijgen, er echte soldaten van te maken en hen de juiste gevechtsdoctrines mee te geven. Maar uiteindelijk bewijzen ze zich aan het front en dragen mede zorg voor het veilige en vrije gevoel van hele bevolkingsgroepen. Klinkt allemaal aardig, maar waar gaat het dan mis hoor ik u denken…

      Op het moment dat de eerste militaire basisvaardigheden achter de rug zijn staan we en masse te zwaaien met allerlei technologische ontwikkelingen binnen het onderwijs. Waarom? Omdat we met zijn allen willen hypen. We willen rennen, vliegen, duiken, vallen, opstaan en weer doorgaan, om maar eens met de woorden van een bekende Nederlandse kinderrechtenactivist te spreken. Stilstand is achteruitgang. Alhoewel… we zij de laatste jaren in ons vakgebied volgens mij heel hard bezig ons te ‘verhypen’ (vergelijk: slikken en verslikken), getuige de dalende economische waarde van ons onderwijs. Maar dat terzijde. Terug naar waar het mis ging. De hogere onderwijseconomie laat ik graag over aan een volgende blogger. I dare you!

      We trakteren de pas gemilitariseerde jongeren op iets waarvan de meeste al jaren fervent aanhanger zijn: een game! Maar dan onder de voorwaarde dat ze eerst luisteren hoe we willen dat ze het spel spelen. En daarmee is de game serious geworden. In ieder geval in de optiek van de enthousiaste docent, want de game was al een tijdje hele serious shit in de wereld van de spijkerbroeken.

      Dat brengt mij op de kern van mijn betoog: het negatief leereffect van het gebruik van (commerciële) games als serious games in het militair (hoger) onderwijs.
      De vraag is namelijk of je een missie gewonnen hebt als je alle gegijzelden hebt bevrijd.
      De makkelijkste manier is zoveel mogelijk soldaten op een huis af laten rennen en uiteindelijk blijven er wel een paar over die voor de bevrijding kunnen zorgen. Dat we en passant 80% van onze collega’s kwijt zijn geraakt in de strijd, mag de pret niet drukken. Missie geslaagd!

      Daarbij is er geen game, hoe serious die ook bedoeld is, die de emoties kan benaderen van een soldaat die zijn gewonde maatje in veiligheid moet brengen waarbij de kogels hem om de oren vliegen. De angst en de overlevingsdrang laten zich nu eenmaal niet vatten in een spel, hoe realistisch deze soms ook zijn opgezet.

      Nu zou men kunnen denken dat ik tegen het gebruik van serious games ben, maar het tegendeel is waar. Alle doctrines binnen de meeste vakgebieden kunnen wat mij betreft niet beter aangeleerd worden op een manier die de meeste jongeren aanspreekt, waardoor de intrinsieke motivatie om te leren gestimuleerd wordt. We moeten er alleen voor waken dat de grens tussen de realiteit en de virtuele wereld niet te zeer vervaagd. De feedback en de reflectie op het geleerde moeten zeer nadrukkelijk onderdeel van het curriculum zijn bij het gebruik van serious games als leermiddel.

      woensdag 8 juni 2011

      Sloop de Chinese Muur

      tussen leren en werken van docenten!
      De belangrijkste succesfactor bij onderwijsinnovatie is de docent. Wil je leren op een andere manier, en met ICT, vorm geven dan zul je medewerkers daartoe in staat moeten stellen. Door faciliteiten ter beschikking te stellen, en vooral door te investeren in het vergroten van hun expertise.
      De wijze waarop wij deskundigheidsbevordering vorm geven, helpt daar echter meestal niet bij. Want hoe werkt professionalisering in de praktijk?

      • Docenten trekken massaal naar de Jaarbeurs. Lopen rond. Vergapen zich aan de nieuwste tools. Vullen een tas met gadgets, en keren weer naar huis. “Hoe was het gisteren op de NOT?”, vraagt dan de manager. “Interessant, maar wel vaak ‘een ver van mijn bed’-show”, luidt de reactie de dag erna. Einde leermoment. Bij een gemiddelde salarislast van -schat ik- 500 euro per dag, verkwisten we op die manier al snel zo’n 15 miljoen euro per jaar.
      • School X gaat over tot de aanschaf van laptops. Ze organiseren een verplichte workshop, die 20% van de docenten benut om te klagen over de infrastructuur en het management, en gaan over tot de orde van de dag.
      • Docenten bezoeken een studiedag van een uitgever of consortium. Vallen een uur te laat binnen, en gaan een uur eerder weg. De zeldzaam twitterende docent tweet niet wat hij geleerd heeft, maar naar welke sessie hij gaat.
      • Docenten ontvangen hiervoor wel een certificaat, plus een cd rom met powerpoint-presentaties. Die leggen ze in de docentenkamer, en noemen dat kennis delen.

      Met andere woorden: wij organiseren docentprofessionalisering als een gebeurtenis, en niet als een proces. Wij trekken een Chinese Muur op tussen het dagelijkse werk en deskundigheidsbevordering. En wij maken als ‘leerprofessionals’ volstrekt onvoldoende gebruik van wat wij weten van leren.

      Heel veel van wat er geleerd wordt, wordt immers dankzij meer informele vormen van leren geleerd. Van reflectieve gesprekken met collega’s op de werkvloer, van coaching door ervaren collega’s of van het just-in-time raadplegen en verwerken van informatie (dus als je het nodig hebt, en niet ‘voor het geval dat’). En natuurlijk door dingen uit te proberen, en daar feedback op te krijgen.

      In ben dan ook een hartstochtelijk voorstander van integratie van onderwijsontwikkeling en professionalisering. Je leert m.i. bijvoorbeeld het beste ICT in het onderwijs te integreren als je modellen, concepten, en voorbeelden meteen kunt inzetten in je werk. En als je daarover de dialoog kunt voeren met collega’s en experts.

      Het gaat er om krachtige leeromgevingen te creëren waarin opleidingen, cursussen, trainingen worden versterkt met meer informele leeractiviteiten. Ik ben zeker niet tegen ‘formeel leren’, zoals trainingen, conferenties en workshops (wel tegen het zonder gericht doel educatieve beurzen afstruinen). Formele leeractiviteiten moeten alleen niet op zich staan. Sloop dus die muur tussen werken en leren van docenten. En zet uiteraard ICT hierbij op een slimme manier in. Want wat kun je veel leren van bloggen, YouTube, TedX en zeker ook Twitter.

      Wilfred Rubens werkt als projectleider en e-learningadviseur bij de Open Universiteit.

      maandag 6 juni 2011

      Weblectures? Nee, VLA!

      We hadden vorige week nuttige discussies over de inzet van video in het onderwijs in ons ICTO team.Ik heb dat wat ruw uitgewerkt en ben natuurlijk erg benieuwd naar aanvullingen, aanscherpingen enzovoort. Overigens het maken van VLA moet elke docent kunnen, het is gewoon een vorm van lesvoorbereiding. Daar waar mogelijk kunnen met name bibliothecaressen bij de verrijking een mooie rol spelen!

      Wat te doen met weblectures van 45, 90 minuten of zelfs langer? We weten toch dat jong volwassenen een spanningsboog van zeg 12 minuten maximaal hebben? Studenten spelen de weblectures gewoon met dubbele afspeelsnelheid af. Dan kost het minder tijd. Zouden dan op de lerarenopleiding de docenten niet moeten leren twee keer zo snel te spreken? Dan kunnen we de lestijd halveren…… Studenten zoeken in de weblecture die stukken op waar ze moeite mee hebben of het niet zo goed snappen. Een beetje ervaren docent weet al voor zijn les wat die momenten zijn, waarom dan verstoppen in een lange les? Van didactici mogen we helemaal geen monologen langer dan 12 minuten houden. Dat heeft geen zin, geen concentratie, je staat voor Jan Doedel te praten. Als dat niet mag kunnen weblectures niet langer zijn dan 12 minuten en moeten ze gaan over die zaken waarvan we al lang weten dat die de essentie zijn. VLA!

      Video leer accent, to the point uitleg of instructie van een onderwerp. Niets "taggen" in een weblecture. Gewoon het ACCENT leggen met een VLA:




      Ik heb ooit wel eens begrepen dat het dan leerobjecten zijn. Dat vind ik prima. Ik denk dan bijvoorbeeld aan:



      Nu hoor ik u al roepen, maar met alleen bouwstenen kun je geen huis bouwen. Daar kan ik me wel in vinden. Dus we gaan de VLA’s inbedden met allerlei verrijkende achter- of zoals u wilt voorgronden. Dat kan prima in een ELO of andere omgeving. Ik denk dan aan:


      En wat doet de docent? Die vertelt prachtige voorbeelden, zet het in de context, begeleidt, vraagt en verwondert. Verwijst dan eens naar de digitale leeromgeving, dan eens naar een VLA en zet zijn lessen, colleges weer volgens strakke of minder strakke didactisch verantwoorde structuren in elkaar. Iets als het verloop van de les/college in zeven stappen, die ik las op de site van onderwijs van morgen:



      1. De docent geeft leerdoelen aan
      De docent legitimeert de gevraagde inspanning. Hij bevraagt ook leerlingen om de zin van het leerdoel uit te leggen. Gevolg: meer motivatie bij de leerlingen.
      2. De docent activeert voorkennis
      Wat weten we al? Wat hebben we de vorige les geleerd? Op deze manier komt de nieuwe stof in de zone van naaste ontwikkeling (theorie van Vygotsky).
      3. De docent geeft een korte instructie (circa 10 minuten)
      De attentieboog is op deze leeftijd niet veel langer dan 12 minuten. Te lange instructie gaat verloren door verlies aan aandacht.
      4. De leerlingen maken hun huiswerktaken in de klas (circa 20 minuten)
      De leerlingen mogen samenwerken. Omdat ze weten dat ze dan van hun huiswerk af zijn, wordt er stevig doorgeweerkt. De leraar loopt (coachend) door de klas.
      5. Wat hebben we geleerd? Evaluatie
      De docent vraagt leerlingen aan te geven wat ze van de lesstof begrepen hebben. Hij vat de lesstof nogmaals kort samen.
      6. Reflectie
      Wat hebben we geleerd van het leerproces? Hoe kunnen we daar in de toekomst ons voordeel mee doen? Drie leerlingen vertellen dit voor de klas.
      7. Toetsen
      Check of de leerling het heeft begrepen (of ook wel of de docent het heeft weten over te brengen……).

      Wil je trouwens nog wat goede en minder goede voorbeelden zien van videogebruik?
      Kijk dan eens op de blog van Gerard Dummer: http://www.gerarddummer.nl/blog/tag/weblecture

      Heb je zelf al eens een weblecture van meer dan 45 minuten gevolgd op je PC, laptop, iPad? Moet je eens doen........ Dan smaakt VLA denk ik nog lekkerder.