maandag 26 september 2011

Web en de wereld van de mobiele apparatuur...

Chris Blom

Technologie accelereert het leren. Dat is de subtitel van deze Blog. Maar dat gaat lang niet altijd gepland en doelbewust. Vandaar enige aandacht voor ontwikkelingen op het web en in de wereld van mobiele apparatuur.

Hoe ontwikkelt deze zich? Wat zijn dan de gevolgen voor de instellingen voor HO?

Google is met zijn websites, apps en besturingssysteem een voorbeeld van wat de ontwikkeling van het web gaat worden. Een voorbeeld met een slechte naam vanwege slecht informatie beleid, maar wel een met grote impact. De inkomsten komen niet van de verkoop van apparatuur, of van software, maar vooral van de advertenties. Gebruikers hebben veelvuldig contact met spullen van Google en dat contact met die grote aantallen is de sleutel tot de bizarre inkomsten die Google genereert. De focus ligt op individuele gebruikers contacten. Het geld komt van de adverteerders die per klik geld moeten afdragen. Dus is de ontwikkeling ook gericht op het verlokken van die grote aantallen tot nog meer contact met de spullen van Google. Meer schijfruimte gebruiken op het web: kassa. Een office suite aanbieden: opnieuw dat rinkelende geluid. Er zijn ook andere spelers zoals Microsoft, Apple en Amazon, die dat op een vergelijkbare manier aanpakken, en eenzelfde slagkracht weten op te bouwen. Apple werkt meer met de appstore en i tunes verkopen om geld te maken, en uiteraard met de verkopen van hun innovatieve hardware. En ook Apple heeft de individuele gebruiker centraal staan in hun verdienmodel. Microsoft hobbelt wellicht wat achteraan, maar dat is traditie. En die traditie leert dat ze op tijd weten mee te komen.

Deze spelers bepalen de toekomst van het web. Contracten met grote klanten en instituten die apparatuur of software afnemen spelen hier amper meer een rol. Het zijn de individuele gebruikerswensen die het web bepalen (vooral ook in samenhang met hoe de Microsofts en Googles daarmee omgaan) en niet wat grote of kleine HBO instellingen zouden willen wat er gebeurt.

Deze ontwikkeling vertaalt zich in individuen, studenten en docenten, die een eigen ‘werk en leefomgeving’ meenemen in de vorm van mobiele apparatuur, hun eigen browser instellingen, en hun eigen plek waar de bestanden staan, en een eigen voorkeur aan apparaten, merken en webapplicaties. Het nieuwe werken komt eraan, niet omdat de instellingen kantoorruimte willen besparen, maar omdat studenten en docenten hun ‘werk en leefomgeving’ al in de tas hebben. De snelheid van deze ontwikkeling is eigenlijk alleen afhankelijk van economie. En kijk je naar hoe snel de i-pad en smartphone ontwikkeling zich doorzet, kan het best hard gaan. Vijf jaar geeft dan gelegenheid tot grote veranderingen.

Dit is niet de bril waarmee doorsnee HBO instellingen of Universiteiten hun eigen websites of IT diensten bekijken. De traditie is dat de instellingen zelf bepalen wat zij de medewerkers en studenten aan diensten aanbieden: De schijfruimte, de mailaccounts en de telefoontoestellen die aan kunnen sluiten, de voorlichtingswebsites en de eigen portalen. In die traditie bepaalt de instelling zelf hoe ‘hun’ web eruit moet zien en hoe de gebruiker zich daar moet gedragen. Denk bijvoorbeeld aan de keuze van de browser (nee, we hebben alleen voor Internet Explorer getest….).

Als deze redenering klopt (en daar ben ik van overtuigd) is de herpositionering van een onderwijsinstituut geen keuze meer, maar een kwestie van tijd. Het hoeft geen mailaccount meer uit te geven, maar wel de juiste koppelingen aan te leveren. Dat geldt ook voor de schijfruimte of de office suites. Niet meer zelf doen, maar wel afspraken maken over hoe je met de informatie moet omgaan: waar staan de portfolio’s en te beoordelen producten precies. De websites gaan vervangen worden door de afzonderlijke informatie ’chunks’, bijvoorbeeld in de vorm van portlets of webparts die via de mobiele platvormen geraadpleegd kunnen worden. De medewerker neemt straks zijn eigen spullen mee en de instelling zorgt voor de koppelingen.

Dit kan alleen goed gaan wanneer er echt een andere bril wordt opgezet. Niet meer de bril van de IT systeem ontwikkeling. De poging om het ‘gehele proces in kaart te brengen, de functies te definiëren, het technisch ontwerp neer te zetten en het systeem te ontwikkelen’. De illusie dat je vanzelfsprekend het webdomein en de webcommunicatie in de hand hebt en kan bepalen, kan vaarwel gezegd. De bril moet er een worden van de dienstverlening voor individuele klanten. Met het gebruik maken van de webcapaciteit die er is. Het web is definitief niet meer een domein van IT, maar vooral een domein van sociale interactie. We moeten dus ophouden met denken in termen van het realiseren van techniek, maar vooral in termen van sociale ontwikkeling.

En dan de vraag hoe het leren daarin past. Daar ligt de uitdaging. Wie neemt hem op?





Chris Blom is adviseur onderwijs en IT en verzorgt trainingen aan docenten van de Wageningen Universiteit. Hij werkt bij de afdeling Educational Staff Development (WUR) en is betrokken bij de SURF special interest group Digitale Leer en Werkomgeving (sigDLWO).Chris Blom, Costerweg 50, 6701 BH Wageningen. 0317483939. Chris.Blom@wur.nl

zondag 25 september 2011

Onwetendheid en het plezier om te merken dat je wat kan leren!

Silvester Draaijer

Nadat ik cum laude was afgestudeerd als Industrieel Ontwerper aan de TU-Delft ben ik helemaal afgedwaald van dat vakgebied. Samen met twee vriendjes heb ik nog een paar jaar een ontwerpbureau gehad maar in het begin hadden we geen geld. Ik moest er dus wat ‘bijklussen’ om een inkomen te verwerven.

Dat lukte heel aardig omdat ik een aanstelling kreeg als docent bij de HBO-opleiding Industrieel Productonwerpen  in Den Haag. Zomaar in de schoot geworpen gekregen. Vol goede moed heb ik mij in het onderwijs gestort. En ik werd goed ingewerkt: ik kreeg een driedaagse training van de toenmalige onderwijskundige dienst van de TU-Delft en ik kon aan de slag. En ik moet zeggen, dat ging mij heel goed af. Begonnen als tutor in probleem gestuurd onderwijs ‘klom ik op’ naar ontwikkelaar van PGO-blokken, projectonderwijs begeleider, docent mechanica en afstudeerbegeleider. Ja, ik kon er wat van.

Ook kregen de daar aanwezige onderwijskundig adviseurs mij in het vizier: daar was een actieve docent die wel wilde innoveren. Ze verleiden mij een projectaanvraag in te dienen voor de toenmalige OnderwijsKwaliteitsfonds (OKF), gelden om een digitale mechanica cursus te maken. Dat project strandde jammerlijk.

Wat me echter goed bij is gebleven was de totale spraakverwarring die er tussen mij en de onderwijskundig adviseur bestond over expertise in mechanica kennis en kunde en het toetsen van mechanica kennis en kunde bij studenten. We werden niet boos op elkaar, maar begrepen elkaar niet. We bleven maar voortdurend aftasten wat de ander nu eigenlijk bedoelde.

Na deze periode ben ik verder gegroeid in het onderwijskundig vakgebied en in het bijzonder het domein van het toetsen. Ik ben daar denk ik nu zo’n vijftien jaar in werkzaam en heb ondertussen mezelf expliciet verder ontwikkeld en getraind. Dat doe ik onder andere door onderzoeksliteratuur te lezen en te bestuderen. Daar liep ik een poosje geleden tegen twee zeer interessante artikelen aan waar ik indirect op werd gewezen door Paul Kirschner van de OU. Het zijn artikelen van Kruger en Dunning (2003; 1999) met de welluidende titels “Why people fail to recognize their own incompetence” en “Unskilled and unaware of it: How difficulties in recognizing one’s own incompetence lead to inflated self-assessments”. Ik geloof dat de titels al genoeg zeggen: het is voor mensen heel erg moeilijk om over de grenzen van hun eigen kennis en kunde heen te kijken. Ze zijn zich niet bewust van hun kennislacunes en zijn ook niet in staat om deze zelf te ontdekken. Bovendien gaan ze zichzelf ook nog eens overschatten! Een ander interessant artikel dat ik las ging over het feit dat expertise zeer domeinafhankelijk is (zie bijvoorbeeld Ericsson & Charness, 1994): een goede voetballer is niet perse een goede voetbalpresentator (op de uitzonderingen na natuurlijk)

Nu gaat het schrijven van een goede column vaak het best als je je een beetje boos maakt. Je maakt je bijvoorbeeld boos over de onwetendheid van anderen (niet van jezelf natuurlijk). Zo wind ik mij nogal eens op over onwetendheid van docenten als het gaat over toetsen en beoordelen met gesloten vragen. Het valt mij op dat zij heel ongearticuleerd over dit onderwerp kunnen spreken (lees ter illustratie dit artikel eens Johannesen & Habib, 2010): ‘Toetsen met multiple-choice vragen zijn slecht’, ‘Ik hou niet van toetsen met multiple-choice vragen’, ‘open vragen zijn veel beter’, ‘studenten gokken zich met multiple-choicevragen door het curriculum’, etc. Ze maken ook allerlei beginnersfouten als het gaat om toets- en vraagconstructie en denken ongedifferentieerd over zaken als cesuurstelling. Het gaat zelden over de betrouwbaarheid of validiteit van toetsen of het feit dat uit onderzoek is gebleken dat de correlatie tussen parallelle toetsen met open en gesloten vragen zeer hoog is en toepassing van gesloten vragen een goede keus kan zijn om die reden.

In al die gevallen dwing ik mezelf om mildere gedachten te koesteren. Bijna alle docenten in het hoger onderwijs geven daar in de eerste plaats les vanwege het vakgebied waaruit ze komen. Daarin zijn ze expert. En ik denk terug aan mijn gesprekken met de onderwijskundig adviseur uit Den Haag. En hoe ik daar als net afgestudeerde ontwerper mij op een totaal ander vakgebied begaf: de onderwijskunde. Totaal onwetend!

En toch kwam het nog redelijk goed met zowel de onderwijskundig adviseur als ikzelf. Ik wens daarom iedereen in het onderwijs geduld, liefde voor het vakgebied van het opleidingdomein én van de onderwijskunde toe. En niet te vergeten een onderzoekende geest om verder te komen!

En oh ja, het ontwerpbureau liep op de klippen toen we wél geld verdienden. Maar ik had mijn nieuwe roeping toen al gevonden.


Bronnen:
Dunning, D., Johnson, K., Ehrlinger, J., & Kruger, J. (2003). Why people fail to recognize their own incompetence. Current Directions in Psychological Science, 12(3), 83-87. doi:10.1111/1467-8721.01235

Ericsson, K. A., & Charness, N. (1994). Expert performance: Its structure and acquisition. American Psychologist, 49(8), 725-747. doi:10.1037/0003-066X.49.8.725

Johannesen, M., & Habib, L. (2010). The role of professional identity in patterns of use of multiple‐choice assessment tools. Technology, Pedagogy and Education, 19, 93-109. doi:10.1080/14759390903579232

Kruger, J., & Dunning, D. (1999). Unskilled and unaware of it: How difficulties in recognizing one’s own incompetence lead to inflated self-assessments. Journal of personality and social psychology, 77(6), 1121–1134.

dinsdag 20 september 2011

Hoe kennisclips didactiek kunnen veranderen: Flipped Classroom

Esther van der Linde
Adviseur ICT in Onderwijs, Hogeschool van Arnhem en Nijmegen

Bij de HAN is het afgelopen schooljaar een project uitgevoerd met als hoofdthema weblectures. Belangrijk doel van het project is hoe we het effectief gebruik van video in het onderwijs laagdrempelig kunnen maken voor docenten en studenten. Verschillende opleidingen hebben in het project geëxperimenteerd met het opnemen van colleges en kennisclips. Op basis van de resultaten van de pilots, gesprekken met collega instellingen in het land en  literatuur over de inzet van video hebben wij twee belangrijke conclusies getrokken:
-        Ontwikkel korte kennisclips ipv opnames van hoorcolleges
-        Maak deze kennisclips onderdeel van een actief, betekenisrijk leerarrangement.

Weblecture vs kennisclip
Het integraal opnemen van hoorcolleges en deze beschikbaar stellen als weblecture, levert  een meerwaarde omdat studenten altijd toegang hebben tot het materiaal, wanneer ze maar willen. Uit vele onderzoeken blijkt dat studenten dit waarderen.(Gommer & Bosker, 2008, Traphagan, Kushera & Kishi, 2009, Mckinney, 2008 en vele anderen). Maar het gehele  hoorcollege terugkijken is  erg lang en saai, en er verandert niets aan de didactiek. Studenten zitten nog te lang passief te consumeren, terwijl ze eigenlijk zelf actief aan de slag moeten met de lesstof. Het integraal opnemen van colleges kost de docent weinig inspanning, maar levert dus relatief maar weinig op. Daarbij komt dat het organisatorisch vaak lastig (roostering, op- en afbouw van opnamesets) of duur ( overal vaste opnamesets inbouwen) is. Nadeel is ook dat de docent niet gedwongen wordt na te denken over het onderwijskundig doel van de weblecture.

Voor de HAN zijn we dus op zoek naar een andere oplossing dan het integraal opnemen van colleges, namelijk de kennisclip. Een kennisclip is een kort filmpje waarin een docent (zonder publiek) de kern van een thema uitlegt, ondersteund met een bijv. powerpoint presentatie. Bekende kennisclips zijn die van docent Bob van den Brand die hiervoor verscheidene prijzen heeft gekregen. Zo’n kennisclip vergt natuurlijk voorbereiding van de docent. Hij moet een lang hoorcollege inkorten tot korte presentaties, zijn powerpointpresentatie bewerken en de clip opnemen.
Maar ook dan zijn we er nog niet. Want hoe ga je deze kennisclip inzetten?

The flipped Classroom
The flipped Classroom model is populair gemaakt door Salman Khan. Salman Khan is de man achter de http://www.khanacademy.org. In maart 2011 geeft hij een Ted presentatie waarin hij het principe achter de Khan academy uitlegt, het flipped classroom principe:
Sindsdien is het een populair begrip en wordt er veel over geschreven. (zie http://mast.unco.edu/programs/vodcasting/  en http://vodcasting.ning.com/ maar ook in Nederland   http://wilfredrubens.typepad.com/wilfred_rubens_weblog/2011/06/drieluik-the-flipped-class-in.html )
Het basis idee van flipped classroom is dat de kennisoverdracht thuis gebeurt, dmv een kennisclip en dat vervolgens het huiswerk in de les wordt gemaakt waar de docent bij is. Hierdoor kan de contacttijd effectiever gebruikt worden door samen te werken en vragen waar de student thuis geen antwoord op kan krijgen meteen te behandelen. Natuurlijk is wat hij verteld niets nieuws, al in 2000 schreven Lage, Platt & Treglia een artikel genaamd Inverting the classroom. En ook toen was het eigenlijk niet nieuw, want het sluit aan sociaal constructivistische principes dat lerenden zelf hun kennis moeten construeren door actief en met elkaar aan de slag te gaan met de leerstof. Maar het effectiever inzetten van de contacttijd spreekt mij erg aan.

Zoals bij de meeste onderwijsvernieuwingen met ICT, is de kans aanwezig dat men zich vooral focust op de ICT component en niet op het gehele leerarrangement. Zie bijvoorbeeld het artikel van Audrey Watters dat Wilfred Rubens recenseert op zijn weblog. Met de opmerking: ‘Deze bronnen (Khan Academy, kennisclips) moet je hergebruiken binnen een didactisch rijk leerarrangement’ slaat Wilfred Rubens wat mij betreft precies de nagel op de kop. Het gaat uiteindelijk om het ontwikkelen van betekenisvolle leerarrangementen. En contacttijd vrij maken door de kennisoverdracht te verplaatsen naar thuis, lijkt goede mogelijkheden te bieden voor nieuwe effectieve leerarrangementen.

Leerarrangementen met kennisclips
Hoe ziet een betekenisvol leerarrangement met kennisclips eruit?

Er zijn al een aantal ideeën en goede voorbeelden:
-        Jason Day experimenteert in zijn promotie onderzoek (een aanrader!) met 
    leerarrangementen met kennisclips. Hij laat de kennisclips bijvoorbeeld volgen door
    korte opdrachten over de leerstof in de kennisclips. In de les worden verschillende
    leeractiviteiten uitgevoerd, docentgeleide leergesprekken, groep activiteiten en
    individuele opdrachten.
-        Heino Logtenberg filosofeert op dit blog over de inzet van VLA’s
-        Jackie Gerstein beschrijft een flipped classroom model op het
    ‘
User Generated Education weblog:



De komende tijd gaan we binnen de HAN  op zoek naar mogelijke leerarrangementen met kennisclips. Omdat in een leerarrangement het doel en de lerende centraal staan, verwacht ik veel verschillende effectieve mogelijkheden te vinden.

Laagdrempelig
Een belangrijk doel van ons HAN videoproject is onderzoeken hoe we het effectief gebruik van video laagdrempelig kunnen maken. De pioniers redden zich met veel doorzettingsvermogen en enthousiasme. Maar ik wil graag dat alle docenten effectieve leerarrangementen met kennisclips kunnen ontwikkelen. Door inzicht te krijgen in mogelijke en onmogelijke leerarrangementen kunnen we docenten beter ondersteunen in de technische en didactische aspecten van kennisclips. En zo een stap maken naar het onderwijs van de toekomst.


Literatuur
-    Day, J. 2008, Investigating learning with weblectures, laatst bezocht 15 september2011 http://smartech.gatech.edu/xmlui/bitstream/handle/1853/22627/day_jason_a_200805_phd.pdf?sequence=1
-    Gerstein, J.  The flipped classroom, a full picture, laatst bezocht 15 september 2011 http://usergeneratededucation.wordpress.com/2011/06/13/the-flipped-classroom-model-a-full-picture/
-    Gommer, L.  & Bosker,M.,  2008, Video pilots UT
-    Lage, M., Platt, G. & Triglia, M., 2000, Inverting the Classroom: A Gateway to Creating an Inclusive Learing Environment, Journal of Economic Education, vol. 31, no.1, laatst bezocht 15 september 2011, http://www.jstor.org/stable/1183338
-    Logtenberg, H. Weblectures nee VLA, laatst bezocht op 15 september 2011  http://onderwijsinnovatie.blogspot.com/2011/06/weblectures-nee-vla.html
-    Rubens, W.  Drieluik the flipped class, laatst bezocht op 15 september 2011 http://wilfredrubens.typepad.com/wilfred_rubens_weblog/2011/06/drieluik-the-flipped-class-in.html
-    Rubens, W. De Khan Academy als alternatief is verarming van didactiek, laatst bezocht 15 september 2011, http://wilfredrubens.typepad.com/wilfred_rubens_weblog/2011/07/de-khan-academy-als-alternatief-onderwijssysteem-is-verarming-van-didactiek-in.html

vrijdag 16 september 2011

Het trek het maar over de vakantie heen virus?


Karin Winters

In eerste instantie had ik een post willen schrijven vol vette reclame voor ons bedrijf of het even lekker afzeiken van een irritante vorige gastblogger…maar dit onderwerp is actueler.

Zo rond half juni begint het “we trekken het even over de vakantie heen” virus en dat stopt half september. Dan is onderwijzend Nederland weer actief. Nadat de wachtwoorden en gebruikersnamen gereset zijn. Er postbussen vol foutmeldingen (volle bak) of nog erger Out of Office replies geruimd zijn…gaan we er weer voor.

Dat betekent dat 3 maanden de boel op een laag pitje staat, dat is 25% van een jaar. Daar zou een gewoon bedrijf mee op z’n reet gaan. De salarissen gaan namelijk gewoon door, stroom water en alle andere vaste lasten van schoollocaties ook.

Bij sommige ROC’s gaat gewoon de deur dicht, waardoor ook de hele ondersteuningsorganisatie gedwongen is op vakantie te gaan. Intakes, inschrijving, intredetoetsingen en ga zo maar door moeten vlak voor en direct na de vakantie georganiseerd worden. De werkdruk van de administratieve ondersteuning is daarmee onvoorstelbaar groot.

Dan heb ik het alleen over de zomervakantie.

Als onderwijs nou eens flexibeler zou worden…en dus niet tussen 9 en 4 in 40 weken per jaar zou plaatsvinden? Is er iemand die daar eens een rekensom van zou kunnen maken, wat daarvan de opbrengsten zijn?

Als onderwijzend Nederland nou eens op de schop ging en de 4 muren van een school tussen 9 en 4 niet heilig zouden zijn, maar er bijvoorbeeld goed gemeten afstandsleren in gedegen omgevingen zou plaatsvinden. Wanneer informeel leren ook eens zou mogen. Wanneer er veel meer (zeker in BBL onderwijs in het MBO) middag avond lessen zouden zijn.

Waarom is de zondag voor de Albert Heijn en de Hema niet en voor onderwijs (de toekomstige werkplek) wel heilig?

Waarom hebben BOL leerlingen in het MBO vrij in schoolvakanties als ze stage lopen? Lekkere voorbereiding op het werkelijke grote mensen bestaan.

De leerlingen willen wel flexibiliseren…zeker na zo’n vreselijk slechte zomer…maar ja…CAO, Onderwijsinspectie, geldgebrek, personeelstekorten.

Gelukkig is het half September…trekken we het probleem maar even over de Herfstvakantie heen…

Tip: in LinkedIn is een groep daar ook druk over bezig, als je toch niks te doen hebt.

Karin Winters

woensdag 14 september 2011

SURF seminar “hoe selecteer ik een digitaal toetssysteem?

Gisteren was ik op de SURF seminar over “toetsitemafnamesystemen”. De opzet van de dag was er een waar ik voor af een goed gevoel bij had. Drie presentaties uit de praktijk, pitches van 9 leveranciers of eigenlijk nog beter de pitches werden door gebruikers van het systeem gedaan en de leveranciers zelf mochten zich op een “markt” presenteren. Een “vragen uit de zaal sessie” van aanwezigen aan de leveranciers. Een mooi overzichtsboekje wat de leveranciers te bieden hebben. De zaal was precies vol (ik schat zo’n kleine 100 aanwezigen) en niet veel hen zijn voor het eind van de dag weggegaan. Een goed teken.

Een aantal zaken zijn me deze dag bijgebleven, die ik graag met u deel:
1. De ontwikkelingen in toetsafnameland gaan langzaam, het duurt een tijd voordat de grote “volgersgroep” overtuigd is
2. Er is te weinig deskundigheid bij docenten als het gaat om het maken van toetsvragen, en toch doen ze dit al jaren.......
3. Niemand in de zaal was financieel eigenaar/beslisser (hoewel een leverancier zich dat wel voelde…..)
4. Iedereen is op zoek hoe je nu grootschalig gelijktijdig summatief kunt toetsen, de leverancier die dit oplost is spekkoper (denk ik).
5. Autorisatie en dus individuele afname is een wens en er is hoop, stemherkenning. De stem kan aan een persoon gekoppeld worden, de antwoorden niet intypen maar inspreken (critici, zullen dan wel weer beginnen over spieken, voorfluisteren, enzovoort, maar we komen er straks wel uit).
6. Niemand rept over het feit dat deze vorm van toetsing wel eens achterhaald zou kunnen zijn. Substitutie van papier naar digitaal. Past dat nog wel in deze onderwijstijd. Nu volgens de aanwezigen dus wel, anders had er tenminste iemand wat over geroepen, toch?
7. Naast de bekende ook een paar nieuwe spelers in de markt, ik heb geen aandelen maar voorspel Quayn, ondanks de onmogelijke naam een mooie toekomst, niet alleen omdat het nieuwe toetsinzichten serviced en daardoor toekomstbestendig is (delen van vragenlijsten met anderen!, tabletafnames, het is een webservice, secure als het moet enz.) maar ook, omdat het uit de “stal” van Wintoets komt. Adaptief toetsen lijkt een makkie en koppelingen binnen DLO’s ook, nou ja ga zelf maar eens kijken. Waar nog eens wat verder over gedacht kan worden is de prijsstelling, die is wat aan de hoge kant, ik zou zeggen: gauw met SURF/Kennisnet om tafel om over licentieprijzen te spreken.
8. Een mooi samenwerkingsinitiatief blijft "Leerstation zorg". Het gaat hier juist om de content, dit initiatief doorzetten naar andere domeinen, doen! Past misschien ook wel goed in de SURF COnext initiatieven.

Verder zou ik vooral de SURF site in de gaten houden, wanneer je in dit onderwerp geïnteresseerd bent. En natuurlijk ook de LinkedIn groep Digitaal Toetsen van de Special Interest Group Digitaal Toetsen van SURF.

Organisatie dank en het was een leerzame dag, nu de follow up organiseren, hoe trekken we samen op, hoe pakken we de knelpunten aan en laten we vooral werk maken van co-creatie op het vlak van toetsitembanken, een mooie taak voor de SIG

En als ik dan toch bezig ben: organiseer nog zo’n dag rondom toetsing gericht op alle andere toetsvormen, aandacht voor formatief toetsen, talentontwikkeling, proces, dashboards, ik geef me op om er over mee te denken/organiseren.

donderdag 8 september 2011

Hoe toets je de kwaliteit van een (digitale) toets?

Alexander Kremers

Op dit moment is kwaliteit van toetsen een hot item in Nederland. Door de nieuwe accreditatieregels/normen van de NVAO (Nederlands-Vlaamse Accreditatie Organisatie), waarin ‘toetsing en beoordeling’ een knock-out criterium is geworden, zijn de academies, in ieder geval op Saxion, op zoek naar methoden en middelen om de kwaliteit van hun toetsen te verbeteren.

Binnen Saxion hebben we in 2010 een SIG Toetsing (Special Interest Group) opgericht waar alle academies en belanghebbende afdelingen in vertegenwoordigd zijn. Dit zijn dus niet alleen docenten, maar ook onderwijskundigen, roostermakers en medewerkers van de informatiseringdienst en het toetsbureau.

Wat me de laatste jaren heeft verbaasd is dat er vaak toetsen werden afgenomen en dat er dan alleen een cijfer werd bepaald en dat was het. Dit is vanuit het kwaliteitskader gezien een deel van het traject, de kwalitatieve analyse ontbrak nog te vaak. Het ontbreken van een dergelijke diepgaande analyse had vooral te maken met tijdsdruk (het op tijd aanleveren van cijfers) en met het ontbreken van kennis op het gebied van toetsanalyse en toetsconstructie. Daar valt in een geautomatiseerde omgeving zeker winst te halen!

Kader
In dit artikel beperk ik mij tot toetsen waarbij gebruik gemaakt worden van gesloten vraagvormen. Denk hierbij aan toetsen met MC-vragen, meer uit meer vragen, invulvragen, matrixvragen, hotspotvragen etc. Met deze toetsvorm kan je namelijk op vrij eenvoudige wijze en bij gebruikmaking van digitale tools, snel en goed, psychometrische waarden generen.

Het gaat erom dat alle psychometrische gegevens van de toets en de items kunnen worden gegenereerd.

Doordat het toetsservicesysteem niet alleen cijfers bepaalt, maar ook standaard een toets- en itemanalyse levert, ben ik nu vooral bezig om docenten en toetscommissies te trainen in het interpreteren van die analyse, om zo de toets betrouwbaarder te maken en de kwaliteit en validiteit van de vragen op een hoger niveau te brengen.

Saxion breed heb ik me in het begin vooral met de toetsorganisatie en toetstechniek bezighouden en nu dit staat als een huis zie je dat er nu vraag komt naar toetsconstructie- en toetsanalysecursussen.

Bij een academie, de AMA (Academie Mens en Arbeid), heb ik het afgelopen jaar, alle toetsen die digitaal werden afgenomen, geanalyseerd en geïnterpreteerd. Ik versta onder digitaal toetsen in dit geval niet alleen de toetsen die daadwerkelijk achter de computer zijn afgenomen maar ook alle toetsen die in ons toetsservicesysteem (TestVision) zijn aangemaakt en zijn afgenomen op papier (Teleform). Deze formulieren zijn weer in het toetsprogramma in te lezen, zodat het nakijk- en analysewerk geautomatiseerd kan plaats vinden.
Ik hoop, ga er vanuit, dat dit schooljaar bij de AMA de gesloten toetsen betrouwbaarder en van een kwalitatief hoger niveau zullen zijn dan vorig jaar. Ik denk dit na het huidige schooljaar met cijfers te kunnen onderbouwen…

De (ideale) workflow van een toets
De docent (inhoudsdeskundige) maakt de toets, legt deze voor aan de toetscommissie en deze keurt de toets goed / stelt hem bij. Deze stap gebeurt helaas lang niet altijd. Met andere woorden de toets wordt niet gecontroleerd en de docent bepaalt dus zijn eigen kwaliteit en niveau. Dan wordt de toets digitaal afgenomen en geanalyseerd. De toets wordt door een toetsexpert geïnterpreteerd, dus alleen op psychometrische waarden, en deze schrijft aan de docent zijn bevindingen/adviezen. De docent bepaald dan welke adviezen hij overneemt (hij is tenslotte de inhoudsdeskundige en de toetsverantwoordelijke) en hij bepaalt het definitieve cijfer. De veranderingen, aanpassingen van de items worden daarna verwerkt in het toetsservicessysteem zodat bij de volgende toetsafname de verbeterde items worden gebruikt.

Slag achteraf
Nu kan je zeggen: dit is allemaal wel leuk, maar moeten we de toetsitems niet al vooraf screenen. Helemaal mee eens, maar de toetscommissies en de docenten hebben in de huidige onderwijssituatie daar geen tijd voor (over).

Slag vooraf?
Diverse academies zien ook het belang van vooraf investeren in de docenten door deze een cursus toetsconstructie aan te bieden. Over een half jaar is er ook een digitale leergang toetsconstructie en toetsanalyse beschikbaar.

Wat kunnen we hiervan leren?
Als je de kwaliteit van toetsen wilt verbeteren moet je investeren in tijd, mensen en middelen. Dan zal een volgende accreditatie, waarin je als examencommissie moet aantonen hoe je de kwaliteit borgt, in ieder geval op het gebied van digitaal toetsen een “makkelijke” zaak zijn.

Alexander Kremers
Adviseur ICT&O, Voorzitter SIG Toetsing bij Saxion, Voorzitter SIG Digitaal Toetsen bij SURF

dinsdag 6 september 2011

8 principes om studenten te laten leren in de digitale leeromgeving!

Niels Maes
Trainer/adviseur Onderwijs & Ict, Hogeschool van Arnhem en Nijmegen


Hoe krijg ik mijn studenten zover dat ze gaan leren in de digitale leeromgeving ipv mededelingen lezen en documenten downloaden? Hoe creëer ik een “community” binnen de DLO ipv een, wat saai en koud ogende, digitale opslagplek van documenten?

Regelmatig krijg ik van docenten dit soort vragen. Graag deel ik met jullie de 8 principes die ik hen aanleer om op korte termijn succesvolle online leerinteractie in de DLO mogelijk te maken. De principes zijn gebaseerd op mijn eigen ervaringen met diverse digitaal didactisch werkvormen en concepten, in het bijzonder de digitale didactiek achter Virtual Action Learning.

Hieronder de 8 principes. Principe 1 t/m 4 gaan wat meer over de inrichting/ontwerp, principe 5 t/m 8 over de uitvoering.

1. Geef de online interactie een expliciete en betekenisvolle plaats in het onderwijsleerproces

Het begint bij het ontwerp van het onderwijs! Vaak is de DLO nog te veel een sluitstuk in dat onderwijsontwerp. Wil je een interactieve online community creëren in de DLO dan zul je online leeractiviteiten binnen de DLO een belangrijke functie, zo niet een spilfunctie, moeten toebedelen in het onderwijs. Dit vraagt om een duidelijk idee over wat je wilt dat studenten online gaan doen en hoe online en offline (face-to-face) leeractiviteiten met elkaar samenhangen. Uiteraard is de didactiek leidend en niet de technologie. Dit kan mijns inziens niet zonder bepaalde (constructivistische) principes zoals “studenten leren van elkaar ipv alleen van een docent” en “het is oké om elkaars werk te bekijken”, etc.

2. Maak je digitale leeromgeving (DLO) geschikt voor online interactie
Bevat de DLO functionaliteit die leerinteractie door studenten mogelijk maakt? Is die functionaliteit intuïtief hanteerbaar (affordance)? Laat de instelling van rechten überhaupt interactie toe? Kunnen studenten bijvoorbeeld wel of niet bij elkaar kijken? Is het technisch laagdrempelig om te interacteren? Het is vervelend als studenten veel moeten klikken om iets voor elkaar te krijgen. Is er een kritische massa van studenten in de DLO waardoor interactie op gang kan komen. Ik adviseer meestal om (kleine) studentgroepen van 15 mensen te maken.

3. Beloon de online interactie
Dit principe volgt min of meer op principe 1. Belangrijk is dat de online interactie wordt beloond. Dat kan door die te beoordelen (summatief) , maar wellicht nog belangrijker is dat de interactie regelmatig wordt “gevalideerd” (formatief beoordeeld). Bijvoorbeeld, als het om online peer feedback gaat, stimuleer ik docenten om gebruik te maken van het valideermodel uit Virtual Action Learning (Baeten, 2009). Met dit model kan de online feedback in bijeenkomsten worden besproken en leren studenten feedback te geven gericht op het leveren van bewijslast. (In VAL worden de studenten beoordeeld onder andere op de uitgebrachte online feedback op producten van medestudenten.) Het model kan ook heel goed los van het VAL opleidingsconcept worden gebruikt. Ik merk dat het in veel gevallen aan een dergelijk model ontbreekt, waardoor studenten zich gaan afvragen waarom ze überhaupt online feedback geven en docenten teleurgesteld raken omdat het niveau van de studentfeedback amper verbeterd (het blijft bij vormsuggesties en complimenten).


Figuur 1: Valideermodel online peer feedback (Baeten, 2009)

4. Zorg voor voldoende activerende opdrachten die interactie stimuleren
Stimuleren de opdrachten of leerarrangementen de online interactie? Bijvoorbeeld door telkens in opdrachten de mogelijkheden tot interactie te benoemen, maar ook door de manier waarop (product)criteria zijn geformuleerd of de sturing is vormgegeven. Daarnaast is de distributie van de opdrachten belangrijk. Plaats je die in 1 keer of verspreid afhankelijk van het groepsproces. Als studenten elkaar online feedback geven op producten, is er dan een bepaalde gemeenschappelijkheid die ten grondslag ligt aan de feedback? Als de producten voortkomen uit eenzelfde opdracht en/of casus dan is dit vanzelfsprekend. Als dat niet zo is en producten lopen uiteen qua inhoud/vorm, is er dan een bepaalde gemeenschappelijkheid van waaruit naar de producten wordt gekeken?

5. Communiceer duidelijk naar studenten wat van hen wordt verwacht

Maak het voor studenten inzichtelijk hoe het onderwijsleerproces en met name de samenhang tussen online en face to face onderwijs en beoordeling in elkaar zit. Het is niet voldoende om dit alleen in een handleiding te communiceren (die wordt amper gelezen), maar ook bij de startbijeenkomst en er op latere bijeenkomsten op terug te komen. Uit ervaring met digitale didactische opleidingsconcepten zoals VAL weet ik dat er zowel bij studenten als docenten makkelijk misverstanden blijven hangen omdat ze andere didactische modellen als referentie gebruiken. (Misverstand studenten: waarom zou ik anderen online peer feedback geven, dan gaan ze er met mijn ideeën vandoor?).

6. Sla een brug tussen online leren en face-to-face bijeenkomsten
Zorg ervoor dat hetgeen online gebeurt ook een verbinding heeft met de bijeenkomsten. Zie ook principe 1. Hiervoor kan een breed scala aan werkvormen worden gehanteerd, zoals online feedback bespreken in de bijenkomst met het valideermodel, stellingen die online zijn bediscussieerd in de bijeenkomst bespreken adhv een of meerdere analysemodellen, etc. Juist het op gang brengen van een betekenisvolle dialoog en diepgang in de bijeenkomsten met inspirerende werkvormen is mogelijk doordat er vooraf online activiteiten hebben plaatsgevonden.
Het gaat hier niet alleen om activerende opdrachten, maar ook dat er iets te interacteren valt in de DLO. De docent kan hier wat voorwerk doen door in het begin enkele stellingen te plaatsen, artikelen om te bediscussiëren, etc.

7.  Zorg ervoor dat er voldoende en geschikte objecten in de DLO zijn die uitnodigen tot interactie.

Het gaat hier niet alleen om activerende opdrachten, maar ook dat er iets te interacteren valt in de DLO. De docent kan hier wat voorwerk doen door in het begin enkele stellingen te plaatsen, artikelen om te bediscussiëren, etc.

8. Modereer!
Interactie komt niet vanzelf op gang. De kunst is om studenten te stimuleren de DLO te bezoeken en vervolgens om daarbinnen online leeractiviteiten te gaan ondernemen, zoals elkaar vragen stellen, die beantwoorden, feedback geven op producten, etc. Als docent zul je die online participatie moeten modereren, i.e. het monitoren daarvan en plegen van bewuste procesgerichte interventies om die te stimuleren. Ik schrijf bewust procesgerichte interventies en niet inhoudelijk interventies. Uit ervaring blijkt dat als docenten inhoudelijk gaan interveniëren (zelf online feedback gaan geven, vragen gaan beantwoorden, etc.) studenten stoppen met interacteren en gaan afwachten. Ik gebruik hiervoor vaak het modereermodel uit Virtual Action Learning (Baeten, 2009)

Tot slot
Ik hoop dat deze principes u inspireren! Uit ervaring binnen de HAN blijkt dat de principes voor docenten veelal een eyeopener zijn en de kans op succesvolle studentinteractie in de DLO verhogen. Het spreekt voor zich dat de principes om specifieke vaardigheden van docenten vragen. Als trainer/adviseur trainen mijn collega’s en ik docenten hierin of participeren mee in onderwijs om te laten zien hoe je de principes in de praktijk kunt brengen.

Ik sta open voor ervaringen van uw kant en hoor die graag.
Voor vragen of meer informatie mail naar Niels.maes@han.nl

Bron:
Baeten, J. (2009) Virtual Action Learning. Een opleidingsconcept over samenlerend produceren met ICT. Breda: Citowoz.

donderdag 1 september 2011

nieuwe motor voor onderwijsinnovatie?

De werkende student, de nieuwe motor voor onderwijsinnovatie?
Marcel Penners

Ik vraag het me regelmatig af: (ik droom er nog net niet van!)
Na al die jaren van innovatie in de digitale leeromgevingen, zou het niet fantastisch zijn om nog eens helemaal opnieuw te beginnen? Met al je positieve ervaringen, mislukkingen en implementaties van digitale leeromgevingen op je netvlies. Geen rekening te hoeven houden met het verleden, de data niet te hoeven migreren en niet meer aan de eis te hoeven voldoen dat de nieuwe leeromgeving minimaal dezelfde functionaliteiten bezit als de oude. Herkenbaar? Ik zou het in ieder geval geweldig vinden om een digitale leeromgeving vanaf niets volledig te gaan opbouwen.
In de HAN ben ik op dit moment aan de slag met het project NHOE (Netwerkorganisatie HAN Online Education). In dit project zijn we aan het onderzoeken op welke wijze we werkende studenten kunnen gaan faciliteren in Blended Learning omgevingen. Volgens mij de kans op eens helemaal opnieuw te kunnen beginnen.

Met de werkende student bedoel ik niet de reguliere voltijd student met een bijbaantje, maar een 23+ er die naast zijn reguliere werkzaamheden een studie gaat volgen van een masteropleiding tot bijvoorbeeld een cursus projectmanagement.

Het aantal werkende studenten bij hoger onderwijsinstellingen neemt toe en ondanks de nieuwe financieringsmaatregelen rondom het collegegeld, is de verwachting dat het aantal werkende studenten bij hoger onderwijsinstellingen in de komende jaren verder zal gaan toenemen. Zie ook de programma”s rond Leven Lang Leren en Nederland, kenniseconomie.

Als je naar de gebieden onderwijsontwikkeling en ict&onderwijs kijkt heeft de afgelopen 10 jaar de focus vooral gelegen op het ontwikkelen voor het reguliere voltijdsonderwijs.

Invoering competentiegericht onderwijs, gebruik van digitale leeromgevingen en professionaliseringstrajecten voor bijvoorbeeld assessoren. Ook als je kijkt naar marktbewerking en informatievoorziening zie je dezelfde tendens. Voor de opleidingen voor werkende studenten lag en ligt de focus nog vooral op het ombouwen van opleidingen van voltijd naar deeltijd.

In het ombouwen van opleidingen wordt volgens mij de cruciale denkfout gemaakt. Volgens mij is er niet zoveel om te bouwen. Het enigste wat gelijk is aan de voltijdopleiding ten opzichte van de deeltijd zijn de eindcriteria waar de studenten aan moeten voldoen om een opleiding succesvol af te ronden.

Probeer deze gedachte eens vast te houden als je aan de slag gaat met het opleiden van werkende studenten.

Kijk maar eens naar een aantal kenmerken van een werkende student.

In het reguliere onderwijs is diversiteit al een belangrijk thema: instroom VO-MBO, man-vrouw. Maar ten opzichte van de werkende student zijn dit nog zeer homogene groepen. Iedere werkende student heeft een andere beginsituatie: leeftijd, werkervaring, gezinssituatie, vooropleiding, beschikbare tijd voor studie en ga zo maar verder.

Hier ligt de grote uitdaging om binnen een opleidingstraject om te kunnen gaan met deze grote diversiteit aan studenten. Je kan eigenlijk wel zeggen dat iedere student maatwerk is.

Voor het ontwikkelen van onderwijs is dit de grote uitdaging. Flexibliteit in leerroutes en -arrangementen, opdrachten ontwikkelen specifiek voor deze doelgroep en het integreren van werk en studie zijn maar enkele voorbeelden van deze uitdagingen.

Ook op het gebied van het gebruik van een elektronische leeromgeving vergt deze doelgroep ook een specifieke aanpak. Doordat de werkende student normaal gesproken niet meer dan een dag per week naar de onderwijslocatie zal komen, zul je andere functionaliteiten en dienstverlening moeten gaan aanbieden. Online samenwerken, communiceren op afstand, mogelijkheden voor zelfstudie en een 24/7 helpdesk zijn maar een paar voorbeelden hiervan. Het KISS principe moet het uitgangspunt zijn voor deze ontwikkelingen. Geen complexe, geavanceerde toepassingen, maar laagdrempelige en liefst gestandaardiseerd voor de gehele opleiding, zodat een student niet bij iedere onderwijseenheid een andere leeromgeving krijgt voorgeschoteld.

Over 3 jaar hoop ik dat mijn droom is uitgekomen. Ik hou jullie op de hoogte.

Marcel Penners
Senior beleidsmedewerker ICT & Onderwijs
Hogeschool van Arnhem en Nijmegen

maandag 29 augustus 2011

Social media

Social media in het onderwijs: verbinding maken met de leerling én de docent

Paul Bloemen

Onderwijskundig adviseur en ontwikkelaar


Over het gebruik van social media wordt de laatste tijd steeds meer geschreven. Dat de mogelijkheden ervan voor leren en opleiden vast eindeloos zijn, is de lezer van deze blog hoogstwaarschijnlijk wel bekend. Zo kan door het gebruik van social media in het onderwijs onder meer veel meer aangesloten worden bij de leefwereld van de leerling. Meestal wordt daarbij meteen opgemerkt dat, ondanks de mogelijkheden en het veelvuldige gebruik door leerlingen, de toepassing van social media in het onderwijs nog beperkt is.

Dit zal waarschijnlijk nog wel enige tijd zo blijven. Niet alleen de dagelijkse onderwijspraktijk, maar ook de specifieke karakteristiek van social media maken het gebruik ervan in het onderwijs tot een complexe aangelegenheid. Zolang hiermee onvoldoende rekening wordt gehouden, zal het op veel scholen niet snel tot een breedschalige implementatie komen.

De dagelijkse realiteit
Mijn ervaring is dat docenten over het algemeen wel open staan voor nieuwe uitdagingen en dat de mogelijkheden van social media wel worden onderkend. Maar het is ook een gegeven dat docenten voortdurend met diverse veranderingen worden geconfronteerd.

Docenten krijgen te maken met steeds veranderende eisen met betrekking tot het onderwijs, nieuwe vormen van toetsen en examens, extra/veranderende begeleidingstaken, de urennorm vanuit de inspectie, toegenomen maatschappelijke verantwoording en nog veel meer.

Docenten geven in evaluaties dikwijls aan dat ze nu al te weinig tijd te hebben zich al deze veranderingen eigen te maken. Er is over het algemeen te weinig tijd voor reflectie, oefening en verdieping. Het zich verdiepen in en experimenteren en oefenen met social media zal dan ook moeten concurreren met andere prioriteiten.

Een complexe innovatie
En het is juist deze tijd en verdieping die docenten nodig hebben om social media te gaan gebruiken. Het toepassen van social media in het onderwijs is namelijk een complexe vernieuwing. Als je het bijvoorbeeld gaat vergelijken met een andere ICT-gebaseerde vernieuwing, het gebruik van een elektronische leeromgeving (ELO), dan zijn er zo al vijf factoren te noemen die het gebruik van social media vanuit het oogpunt van de (minder ervaren) docent complex maken.

1 Het gaat bij social media om een niet-eenduidig begrip. Als we het hebben over social media dan kan dat betrekking hebben op zeer diverse programma’s die ook nog eens allemaal verschillende functionaliteiten hebben. Ook ontwikkelen de verschillende media zich razendsnel. Het vergt voor een docent al enige ervaring om alleen al een basisinzicht in het concept ‘social media’ te krijgen.

2 Het doel van het gebruik van social media zal bij aanvang voor een docent vaak nog niet concreet zijn. Veel docenten zullen eerst toepassingen van social media moeten leren kennen voor ze duidelijk krijgen hoe ze dit kunnen toepassen in het onderwijs.
Verder ontbreekt nog veelal een uitwerking van een visie op onderwijs en leren (met o.a. aandacht voor informeel leren en buitenschools leren) dat als basis kan dienen om naar de inzet van social media te kijken. Dit maakt de transfer van technische toepassing naar didactisch en onderwijskundig gebruik extra moeilijk.

3 Bij social media gaat het ook om leren, communiceren en werken dat buiten de school gebeurt en buiten de school omgaat. De school heeft dan ook beperkte invloed op deze processen en het gebruik van de social media. De docent zal moeten durven loslaten, accepteren dat hij niet op alles invloed heeft.

4 Een specifieke kenmerk van social media is dat studenten deze nu ook al gebruiken en wel op een eigen wijze en waarschijnlijk intensiever dan ooit in de opleiding zal gebeuren. Het ontbreekt echter nog aan een goed beeld over hoe jongeren (kunnen) leren via social media en hoe dit te benutten in het onderwijs.

5 Zoals Hans Outhuis in zijn column van 23 augustus al aangaf, is er op opleidings/instellingsniveau in veel gevallen nog geen eenduidigheid over hoe om te gaan met social media. Als er gesproken wordt van social media beleid gaat het vooral om het wel of niet toestaan van mobiele telefoons en het afspreken van spelregels. Er is nauwelijks beleid over de onderwijskundige rol van social media in de opleidingen.

Ter vergelijk: bij een ELO is het duidelijk om welk systeem het gaat, wat er in hoofdlijnen mee kan, heeft de school grotendeels invloed op het gebruik omdat ze het systeem in beheer hebben en hebben studenten er niet meer ervaring mee dan de docenten. En bij een ELO duurt het al jaren voordat er sprake is van een brede implementatie en een significante impact op het onderwijs.

Ik merk in gesprekken dat docenten vaak onzeker zijn over het gaan gebruiken van social media. Er is weinig grip op wat social media inhouden, wat er op dit terrein van hen wordt verwacht en wat het voor hen betekent als ze social media gaan gebruiken. Er is in de school ook nog vaak weinig expertise om hen hierbij te ondersteunen. Publicaties die docenten en opleidingen helpen, zijn dan ook gewenst.

Communicatie over het gebruik van social media in het onderwijs
De wijze waarop echter nu over het gebruik van social media in het onderwijs wordt gesproken, biedt de docenten in mijn ogen te weinig ondersteuning. Er wordt sterk vanuit de mogelijkheden van de technologie gedacht (‘x-manieren om Twitter te gebruiken’). Zo worden er veel mogelijkheden van de verschillende programma’s geschetst. De verbinding met de docent wordt nog weinig gemaakt. Praktische en realiseerbare aanwijzingen om de vertaalslag naar de dagelijkse lespraktijk van de docent te kunnen maken, ontbreken grotendeels. De stap van theorie, en soms ook ideologie, naar praktijk is voor de docent dan ook vaak nog erg groot. (Nb. natuurlijk zijn er uitzonderingen waarin ook praktische, goed toepasbare en ook didactisch onderbouwde tips worden gegeven zoals het Ideeënboek Sociale media in het onderwijs van Erno Mijland, het boek @DeStudentcoach en bijdragen van ‘edubloggers’).

In veel publicaties wordt geen rekening gehouden met de realiteit van alledag. Niet alleen de organisatorische randvoorwaarden, die voor docenten vaak obstakels vormen, maar ook de complexiteit van de innovatie wordt dikwijls buiten beschouwing gelaten.

Sterker nog, door de overvloed aan alle mogelijkheden en de zeer hoge verwachtingen over het effect op het onderwijs wordt het verhaal eerder ondoorzichtig gemaakt. Wat zeker ook niet helpt is dat de verantwoordelijkheid voornamelijk bij de docent wordt gelegd. Uitspraken als ‘de docent ontkomt er niet aan sociale media te gaan gebruiken’ en ‘modern onderwijs vereist dat de docent…’ geven een signaal af dat in ieder geval niet helpt dat docenten zich zekerder te gaan voelen bij het gebruik van social media. Integendeel, hoe harder er wordt geroepen dat iets moet, hoe groter de kans dat enthousiasme uiteindelijk overslaat in verzet.

De enthousiaste docent redt zich wel en gaat experimenteren met de nieuwe mogelijkheden. Maar wat doen we met de groep docenten die nog weinig ervaring heeft met ICT en de vertaalslag naar de eigen lessen niet zomaar kan of wil maken?

Op zoek naar verbinding
Nu er steeds meer kennis beschikbaar komt over social media, pleit ik ervoor in plaats van over de docent te praten meer de verbinding te zoeken mét de docent. Verbinding met een docent die zich voor de uitdaging ziet gesteld te leren omgaan met social media. In het zoeken naar verbinding gaat het erom ook rekening te houden met vragen als:

- hoe staat de docent t.o.v. deze uitdaging? (en waarom?)
- wat heeft hij/zij nodig om voor zichzelf betekenis te kunnen aan social media?
- wat is de dagelijkse werkelijkheid van de docent?
- hoe passen social media in het gehele handelingsrepertoire van de docent?
- wat zijn voor de docent mogelijke belemmeringen?

Verbinding zoeken betekent samen met de docent de ideale weg uitstippelen, waarbij je ook eventuele weerstand serieus neemt.

Door meer aandacht voor de positie van de docent zal ook blijken dat het goed integreren van social media in het onderwijs niet alleen de verantwoordelijk van de docent kan zijn. Deze verantwoordelijkheid ligt ook op school- opleidings- en teamniveau, alleen al omdat de ontwikkeling van een leerling een opleidingsbrede verantwoordelijkheid hoort te zijn.

Zeer beknopt en beperkt uitgewerkt betekent dit onder andere dat op school- en opleidingsniveau er idealiter een visie op leren moeten zijn waarin ook rekening wordt gehouden met het informele en formele leren buiten de muren van de school en het leren via (digitale) media. Deze visie biedt tevens het kader voor de inzet van social media in de opleiding en de professionalisering van de docent (het gebruik van nieuwe media maakt hier onderdeel van uit). Daarnaast zou er binnen de instelling een ondersteuningsstructuur (expertise, faciliteiten) moeten worden ontwikkeld die de docent helpt bij het gebruik van social media. Verder kan studieloopbaanbegeleiding helpen om vanuit de opleiding aan te sluiten bij de leefwereld van de leerling.



De implementatie van social media wordt dan een samenspel tussen ‘1000 bloemen laten bloeien’ op de werkvloer en de ontwikkeling van een opleidings- of instellingsbreed kader waar visie en ondersteuning van de docent een plaats krijgen.

Door de docent vanaf het begin meer te betrekken, kan teleurstelling en frustratie zoveel mogelijk voorkomen worden. Gevoelens die ik de laatste jaren teveel heb ervaren bij docenten die in eerste instantie vol goede moed aan de slag gingen met (ICT-)vernieuwingen, maar die de hoge verwachtingen van het begin niet zagen waargemaakt en tegen allerlei belemmeringen opliepen. Echter, op het moment dat zij de verandering naar de eigen situatie hadden kunnen vertalen en kunnen organiseren, ondekten zij pas echt wat de meerwaarde van de vernieuwing voor hen was.

Het is aan ons om het gebruik van nieuwe technologieën te exploreren en stimuleren, maar ook om vervolgens de docent te helpen bij de invoering in een omgeving die voor vernieuwing niet altijd ideaal is. Geen ideologisch verhaal maar een ontdekkingstocht vanuit verbinding. Zoals we met social media willen aansluiten bij de leefwereld van de leerling, zo zouden wij ook moeten willen aansluiten bij de belevingswereld van de docent.

Meer weten over Paul?
Zie: www.linkedin.com/pub/paul-bloemen/10/859/27b
of e-mail hem p.bloemen@oabdekkers.nl

donderdag 25 augustus 2011

STOP TRAINING!

Michel Visser

Organisaties in het hoger onderwijs investeren veel geld in de aanschaf van applicaties zoals DLO’s en Student Informatie Systemen. Het doel van deze applicaties is het ondersteunen van de gebruikers en/of het verbeteren/vernieuwen van het onderwijs.

Ondanks dat deze systemen het potentieel hebben om dit te bereiken, zien veel onderwijsinstellingen het echter als een grote uitdaging om docenten en studenten de binnen deze applicaties beschikbare functionaliteit optimaal te laten gebruiken.

Het is dan ook pijnlijk om te zien dat onderwijsinstellingen zonder resultaat blijven volharden in het verspillen van veel tijd en geld aan het geven van trainingen, workshops en informatiesessies rondom deze applicaties.
Het bewijs bestaat al een lange tijd dat formele training op gedetailleerde taak en procesgebaseerde activiteiten, voorafgaande aan het daadwerkelijk uitvoeren van de taak/actie, volledig nutteloos is. En dan heb ik het nog niet over het opkomstpercentage bij trainingen dat vaak dramatisch laag ligt.

De feiten laten zien dat de aanpak van "we gaan een nieuwe applicatie implementeren, dus we moeten ze allemaal trainen" die door vele (lees: 'meeste') organisaties wordt gehanteerd, zowel inefficiënt, als fundamenteel ineffectief is.

Je kan het geld besteed aan deze activiteiten net zo goed uit het raam gooien. Eigenlijk zou het een betere optie zijn om krimpende budgetten te besteden aan methoden die wel werken. Niet alleen zou het gebruik van de hierboven beschreven applicaties sterk verbeteren, maar ik ben bereid te wedden dat er budget over zou blijven, dat gebruikt kan worden voor andere (nuttige) activiteiten!

Zelfs als je nog nooit betrokken bent geweest bij het opzetten van een applicatietraining voor eindgebruikers, om vervolgens uit te vinden dat gebruikers op het moment van go-live direct de helpdesk gaan bellen of simpelweg de applicatie niet gaan gebruiken (!), helpt het om bewust te zijn van enkele fundamentele waarheden over dit gebrekkige model.

Waarheid 1: Te veel informatie voor een mens om te onthouden
De meeste trainingen worden gegeven middels klassikale sessie of e-learning en bevat (heel) veel informatie. Dit komt omdat ontwikkelaars van deze trainingen de behoefte voelen om elk mogelijk scenario af te dekken. Hierdoor ontstaat er een enorme hoeveelheid 'just-in-case' content.

Ik heb meerdere PowerPoint presentatie gezien van 200-300 dia's aangeboden middels een 2 a 3- daagse upgrade training. Er zijn maar weinig mensen die ook maar een fractie van dit materiaal kunnen herinneren, op het moment dat ze het nodig hebben. Wellicht dat enkele participanten een fotografisch geheugen hebben, maar dat lijkt me niet verstandig om als uitgangspunt te nemen.


En al die geproduceerde handleidingen zijn gewoon een verspilling van onze beperkte natuurlijke hulpbronnen. Ze zijn veel te gedetailleerd, lineair en staan vol met screenshots die de gebruiker (bijna) nooit zal helpen om zijn doel te bereiken. De kans dat je de juiste oplossing vindt voor je probleem en/of een antwoord te krijgt op je vraag is veel groter als je het aan een collega vraagt of de helpdesk belt. Handleidingen zijn een typisch voorbeeld van ‘shelfware’. De enige keer dat iemand ze uit de kast plukt, is om ze in een container te gooien tijdens het opruimen van het kantoor of een verhuizing.

Waarheid 2: Te veel tijd tussen de opleiding en het gebruik
De informatie die iemand zich direct na de training kan herinneren - en dit is waarschijnlijk minimaal – zal verloren gaan als het niet direct in de praktijk wordt toegepast.

Het toepassen van het geleerde in de praktijk is nodig voor de neurologische processen die ten grondslag liggen aan de conversie van de informatie naar het lange-termijn geheugen - stoffen in de hersenen, zoals serotonine, AMP, en specifieke bindende eiwitten doen de rest van het werk.

Harold Stolovitch & Erica Keeps hebben zeer interessante onderzoek gedaan naar de gewenste versus de werkelijke kennisverwerving en prestatieverbetering.





De bovenstaande grafiek toont de resultaten. Tijdens de training, na een aanvankelijke dip waar de prestaties dalen als nieuwe manieren om de taken uit te voeren worden uitgeprobeerd, verbeteren de kennis en prestaties aan het einde van de training. De participant loopt de deur uit met meer kennis en in staat om beter te presteren dan toen hij begon met de training.

Dan beginnen de problemen.
De daling van kennis na de training (Stolovitch en Keeps noemen dit de ‘Post-training Re-Adjusment’), begint vrijwel direct na de training. Je bent klaar met de training, gaat naar huis, je gaat slapen en de volgende ochtend is een groot deel van wat je geleerd hebt al uit het korte termijngeheugen gewist. Bingo!

Dan ga je weer aan het werk en gaat een aantal dingen proberen uit te voeren die je (in het gunstigste geval) geleerd hebt tijdens de training. Het probleem is, je kunt je niet meer precies herinneren wat je moet doen, je krijgt niet direct ondersteuning (de trainer die je tijdens de training hebt geroepen om instructies te geven is er niet meer), dus probeer je een paar dingen, je beseft je dat dit niet werkt (tenzij je geluk hebt) en dan besluit je om gewoon te doen wat je vroeger ook deed of er helemaal mee te stoppen…

Het resultaat?

Prestatieverbetering = nul
Toegevoegde waarde van de opleiding = nul
Return on investment = nul

De enige manier waarop kennis en prestaties de stippellijn in de grafiek volgen is als het geleerde direct na de training in de praktijk gebracht kan worden (‘learning by doing’). Nog beter als dit gepaard kan gaan met enige vorm van ondersteuning door bijvoorbeeld materiedeskundigen die ondersteuning kunnen bieden op de werkplek.

Een nog beter (en zeker goedkoper) is om de training helemaal niet te geven en deze direct te vervangen door een elektronische support omgeving.

TomTom voor applicaties
Reden dat mensen een TomTom gebruiken is dat ze zo snel mogelijk hun bestemming willen bereiken, zonder te zoeken of de hele route voor vertrek uit het hoofd te leren. Daarnaast biedt TomTom de gebruiker ook tijdens het rijden pro-actieve informatie die relevant is voor de route die de gebruiker rijdt. Voorbeelden hiervan zijn informatie over files en flitsers.

De technologie die dit allemaal mogelijk maakt is het Global Positioning System (GPS). Het Nederlands bedrijf EesySoft heeft het GPS voor het applicatielandschap ontwikkeld; Het EesySoft APS© Application Positioning System.



Net als het GPS, monitoort de APS technologie van EesySoft waar een gebruiker is. Op basis van deze positie, of anders gezegd context, binnen de applicatie, biedt het APS de gebruiker relevante informatie aan om ervoor te zorgen dat de gebruiker zo snel mogelijk en zonder problemen zijn/haar doel bereikt. Dus eigenlijk net een trainer/coach die naast je staat op het moment dat je aan het werk gaat met een applicatie.

De informatie die het APS biedt, voorkomt dat gebruikers vastlopen tijdens het werken met de applicatie en geeft gebruikers advies om het gebruik van de desbetreffend applicatie te verbeteren.

Interessante data
Naast direct ondersteuning verzameld het APS ook een bulk aan zeer interessante informatie die (in het kader van Learning Analytics) gebruikt kan worden om gebruikers beter te ondersteunen. Zo kan het systeem zien welke delen van de applicatie actief gebruikt worden en welke niet. Op het moment dat een gebruiker nooit gebruik maakt van een bepaalde functionaliteit, dan kan dit verschillende oorzaken hebben, maar waarschijnlijk is dat hij/zij niet weet hoe het werkt of totaal geen besef heeft van het bestaan ervan.

Door deze gebruiker pro-actief te informeren over het bestaan en bijvoorbeeld via een kort instructiefilmpje te informeren over de werking van deze specifieke functionaliteit kan het gebruik sterk verbetert worden.

Dus waarom blijven organisaties volharden in het op de traditionele wijze trainen van hun eindgebruikers, terwijl er toch voldoende bewijs is dat dit simpelweg niet werkt en er in de vorm van elektronische support systemen (voordeligere) alternatieven voor handen zijn?

dinsdag 23 augustus 2011

Social Media in het Hoger Onderwijs: regie of nie?

Hans Outhuis  

Verbieden?

Na de rellen in Engeland begin augustus gingen er al snel stemmen op om social media plat te leggen. Ook Diederik Samson suggereerde dat via twitter.

Blokkeren van onwelgevallige applicaties, voorzieningen of websites gebeurt wel vaker, ook in het hoger onderwijs. We kennen daar binnen onze eigen instelling allemaal wel voorbeelden van. Doorgaans is dat een heilloze weg. Het geeft een hoop gedoe en is in het geval van social media zelden effectief. De recente ontwikkelingen in Noord-Afrika bewezen dat. En gelukkig maar, het gebruik van social media is doorgaans een positieve ontwikkeling ( bleek ook in Noord-Afrika).
Dat geldt ook voor het hoger onderwijs; het maakt nieuwe manieren van kennisdelen mogelijk. Naast centrale bronnen van kennis, delen medewerkers en studenten kennis rechtstreeks met elkaar.

Regisseren en faciliteren
Vrijheid blijheid lijkt een voor de hand liggend uitgangspunt bij het gebruik van social media, maar regie is wel nodig als het gaat om het gebruik van social media binnen de instelling.
Ook Saxion is daarmee bezig.
Het gaat daarbij om vragen als:
  • Wat winnen we als we ermee aan de slag gaan; wat verliezen we als we het gebruik op z’n beloop laten?
  • Wat is de relatie met een ontwikkeling als Het Nieuwe Werken?
  • Hoe verhouden social media zich tot andere vormen van communicatie (intranet, mail) is het (gedeeltelijk) vervanging of komt het erbij?
  • Welke vormen gaan we in de schijnwerpers zetten en geldt dat voor alle doelgroepen (uit een onderzoek van de TU Delft in 2010 bleek twitteren vooral hip te zijn onder oudere jongeren (35-44), maar nauwelijks gebruikt te worden door studenten, )
  • Gaan we spelregels met elkaar afspreken (en welke dan?) of niet
Op welke wijze kan het gebruik van social media gefaciliteerd /gestimuleerd worden:
  • Beschikbaar stellen van systemen en voorzieningen
  • Organiseren (voor anderen dan de “innovators”) van ondersteuning (instructies voor gebruik/ organiseren van zelfhulp/beschikbaar stellen best practices)
  • ?
Het belang van regisseren en facilteren werd me deze maand (augustus 2011) ook duidelijk toen ik het vakantievoornemen uitvoerde om de stap te maken van een passief naar een actief gebruiker van socialmedia (http://hansouthuis.blogspot.com/)

Samenwerken!
Wat ook moet is samenwerken op dit gebied. Als Hoger Onderwijs-instellingen hadden we er in het verleden er een handje van zelf op allerlei terreinen het wiel uit te willen vinden. Gelukkig is dat veranderd. SURF heeft daar een belangrijke rol in gespeeld. De samenwerkingsinfrastructuur SURFConext is een van de vele voorbeelden van die samenwerking. Bij die infrastructuur zijn ook social media een aandachtspunt. De vragen die ik hierboven beschreef spelen natuurlijk bij alle instellingen. Zonde, omdat ieder voor zich te gaan bedenken.

Laten we daar maar eens wat regie op gaan voeren.

Hans Outhuis is Corporate Informatiemanager bij Saxion en lid van het DB van het CIO-beraad van SURF

donderdag 18 augustus 2011

We starten weer. Wat staat ons te w8en?

Innoveren tegen de bezuinigings- en crisisdriften in. Een eerste reflex is om dat maar even te laten. Er zijn belangrijker zaken. Ik denk dat ons dat pas echt geld gaat kosten. Maar wellicht is het nu juist OOK de tijd om de bakens wat meer te verzetten naar diepere implementaties van zaken waarvan we weten dat die ingezet en succesvol (hopen we) zullen zijn. En wanneer we dat hopen om kunnen zetten in kwalitatief gemeten succes (of gemeten niet succes). Dan vullen we de roep van bestuurlijk Nederland in.

KWALITEIT van het onderwijs en dan geen rare fratsen (hoezo jongens- en meisjes klassen? Da’s hormonale zelfmoord of zo iets). Nee, laten we nu eens onderzoeken hoe we het onderwijs met alle bedachte innovatieve ideeën werkelijk beter maken of hebben gemaakt. SURF’s initiatief om te onderzoeken of Learning Analytics daarin een rol kan spelen lijkt me heel gezond. Onderwijskundige soms in combinatie met organisatorische vragen beantwoorden met behulp van goede onderzoekers, data-analysten, onderwijskundigen, futurologen, werkvloerdeskundigen en andere leidende voorwerpen zoals studenten (zowel jongens als meisjes, met of zonder rood haar, technisch of juist alfa’s, …….). Data is wel voor handen, maar hoe krijg je die nu op een goede manier boven tafel? Niet op globaal niveau maar op specifiek niveau, wat bij opleiding A werkt hoeft beslist geen succes bij opleiding B te zijn. Nog specifieker is het meten op student niveau, dat moet gewoon willen we maatwerk leveren, dus laten we de juristen er dan ook maar gelijk bij betrekken, want naast dat er veel kan hebben we natuurlijk ook met de privacy wetgeving te maken..... Wanneer we echter de data op een goede manier ter beschikking hebben, kunnen we er ook wat mee, denk ik. Makkelijk is dat allemaal niet, wel een klus om eens goed de tanden in te zetten.

En dan vertalen naar beleid, wat decentraal en wat (nog) centraal. Maar…. laten we niet vergeten dat het toch echt op de werkvloer moet gebeuren, dus beloon daar de innovatieve ideeën en probeer die meer generiek te maken bij gebleken succes! Daag studenten uit om gewaagde experimenten uit te voeren, faciliteer dat..

Kortom er is en blijft genoeg te doen (ik ga zo even mijn nieuwe smarttop met mijn 3D printer printen en via mijn Ipad 3 connection ff vol “storen bij iTunes”).

Ik ben dan ook weer heel benieuwd naar de komende bijdragen in dit Multi Blog. Kom op blijf signaleren, prikkelen en uitdagen. Heerlijk!