Het blog mag zich de laatste tijd verheugen op zo tussen de 250 en 300 dagelijkse bezoekers. Berichten die gaan over de directe onderwijsinnovatie en de werkvloer in casu de student/docent mogen zich het meest verheugen op “gelezen te worden”.
Verder valt mij op dat de lezers van het blog het ook bij lezen laten, interactiviteit als waarderen, reageren of commentaar geven zit niet zo in het bloed van dit bloglezers publiek, wellicht dat dit ook wel algemeen geldt voor blogging. Wie weet mag het roepen!
Opvallend is de nummer 1 die gaat over een onderzoek wat de studenten nu echt willen. Daar moeten we meer mee en dit heb ik dan ook al aangeslingerd. Zo is het idee om een dergelijke vragenlijst “Hoger Onderwijs breed” in te gaan steken via SURF. Natuurlijk speelt SURF hier ook op in via het programma in oprichting over Learning Analytics.
De top vijf van meest gelezen berichten:
1. Wat willen studenten met ICT in he onderwijs? 865 keer
2. De meerwaarde van het gebruik van "mobile" binnen een ELO. 630 keer
3. Overkill aan ICT congressen hindert onderwijsinnovatie. 625 keer
4. Onderwijsinnovatie versnellen ZSM met LQ. 486 keer
5. Het einde van de iPad. 355 keer
Uiteraard komt het lezerspubliek voornamelijk uit NL, maar kennelijk zijn er ook nog steeds veel NL-ers in België (kunnen natuurlijk ook de Vlamingen zijn ;-), FR en VS.
Internet Explorer (26%) wordt op de hielen gezeten door Firefox (18%) als browser en Thunderbird (17%) als nieuwslezer. Windows (62%) is nog steeds ver uit het meest gebruikte besturingssysteem onder de bezoekers van dit blog.
Verwijzingen komen nog steeds het meest via Google (58%) en de opkomst via Twitter is groot.
Ook zie je dat sommige blogschrijvers hun eigen aanhang naar de site hebben weten te leiden.
Ik moet zeggen dat de meeste blogschrijvers keurig op tijd hun berichten hebben aangeleverd. Ik heb ze van te voren in een schema van twee schrijvers per week geplaatst en tot november 2011 zit dat schema vol.
Nieuwe schrijvers zijn altijd van harte welkom. Persoonlijk hoor ik uit het veld dat de lezers juist de diversiteit op prijs stellen. Het is niet de mening van die ene man of vrouw en de verschillende invalshoeken zijn juist erg verrassend. Negatieve geluiden zijn mij nog niet ter ore gekomen, ik hou me natuurlijk altijd aanbevolen voor verbetersuggesties.
Voor degenen onder de lezers of voor potentiële lezers heb ik het eerste half jaar in een “boekvorm” als pdf samengesteld. Dat is misschien een mooie verzamelbundel voor als je eens wat wilt teruglezen en niet perse “on screen”. Ook als weggevertje leuk?
Het blog gaat met vakantie en zal 22 augustus weer verder gaan. Misschien dat ik me tijdens de vakantie even niet in kan houden en toch nog wat kwijt moet, maar dat zijn dan extra edities; “for free as usual”, hoewel ik me heb voorgenomen om me deze vakantie los te rukken van laptop, iPad, Tweetdeck, enz, want er is meer op deze wereld. (Gelukkig heb ik mijn iPhone nog voor als ik te veel ontwenningsverschijnselen krijg of om af en toe eens even te “spieken”).
zaterdag 16 juli 2011
vrijdag 15 juli 2011
Op naar de twaalfjescultuur
Roel Smabers, directeur/eigenaar Parantion
Zijn we blij met hoe we nu toetsen? Allemaal tevreden met de mogelijkheden die systemen bieden? En het gemak? Niet echt. Maar er is niks beters, hoor je dan. Het is op zich niet nieuw dat systemen nooit precies aansluiten bij wat we in de praktijk nodig hebben. Zeker niet als die praktijk verandert.
Vaak ligt de oorzaak in de erfenis, of ‘legacy’ van de systemen, maar ook van de organisaties. Processen stammen nog uit de tijd van de boekdrukkunst en zijn afgestemd op het verwerken van papier. Ik veroordeel dit niet, maar constateer het. We automatiseren de werkelijkheid die is gebaseerd op een papieren tijdperk. We automatiseren de cursus-gedreven onderwijscultuur en perfectioneren dit steeds verder.
Ik loop zelf rond in deze wereld en zit steeds meer met de vraag of dit niet een heel suboptimale weg is? Om te voorkomen om dan in een onuitvoerbare academische discussie te geraken, loop ik zo wat van de vragen die dit oproept langs, en beschrijf ik wat ontwikkelingen die volgens mij wel de goeie kant op gaan.
In dit blogtikel kijk ik naar toetsen en beoordelen. Wat is dit voor vreemd fenomeen, bekeken vanuit een wat meer sociologisch perspectief? Vandaaruit blik ik wat vooruit, uit de brainstormsessies die ik de afgelopen maanden heb gehad met een aantal mensen die ‘iets hebben met toetsen’ , vooral in de Zorg maar ook in andere onderwijstakken. Een paar nog ruwe, oude, nieuwe en andere ideeën.
Perspectief
Vorig jaar op de Educause zei een spreker over gaming: onderwijs is eigenlijk één grote game. Wij hebben er alleen een hele slechte van gemaakt.
Als ik terugkijk op naar mijn eigen opleidingsjaren, dan begon school pas te leven in de stages. Toen begreep ik waar al die theorie, die nog was blijven hangen, voor nodig was. En pas toen ik zelf een keuze kon maken voor een opleiding die bij me paste, kwam ik uit de 6-jes regen. Ik kreeg zowaar lol in leren.
Er lijkt een verhouding te zijn tussen (intrinsieke) motivatie en wat we van het systeem moeten en de praktijk betekenis van het leren (context rijk leren). Hoewel niet wetenschappelijk bewezen lijkt het op de bovenstaande figuur.
Dus de mate van vrijwilligheid, en de relatie met het nut zijn van belang. Op zich is de gedachte van het competentie-leren in theorie dan zo gek nog niet. Leren in de context van de (beroeps)praktijk. Aansluiten bij de praktijk. Alleen hoe meet je de resultaten? Hoe organiseer je het onderwijs? En hoe zorg je dat docenten er mee uit de voeten kunnen. Ze hebben namelijk steeds meer geleerd om een deelgebied te doceren.
En zoals Edgar Schein al zei:
als je een olifant doormidden knipt, krijg je geen twee kleine olifantjes, maar een enorme smeerboel.
Innovatie Is hiermee ook de onderwijs innovatie failliet? Gelukkig niet. Wel zijn bijna alle innovatiemanagers wegbezuinigd, is het woord innovatie uit alle projecten geschrapt en is de meeste lucht uit de projecten gefietst.
Wat overblijft zijn, als je alle projecten los van elkaar bekijkt, projecten die praktisch bruikbaar zijn en vaak goede ideeën opleveren. Het wordt pas echt interessant als je al die projecten naast elkaar legt. Je ziet dan in grote lijn waar het naar toe lijkt te gaan.
Hieronder volgt een paar voorbeelden van projecten. In deel twee gaan we in op de integratie en waar het naar toe gaat…
· Peer review TU Delft: peer evaluatietool
· Doorstromen in de keten: publicatie en presentatie volgt op de Surf Onderwijs Dagen. Een project waarin doorstroming van MBO naar HBO in beeld is gebracht. Met name het koppelen van kwalificaties van de twee opleidingen en matchen van die kwalificaties van studenten aan een project en zo een optimaal team met HBO-ers en MBO-ers te formeren. Bij dit project zijn de Hogeschool Utrecht en Saxion vanuit competenties blijven denken en wisten toch een bruikbaar meetinstrument te ontwikkelen. De complexiteit is dat competenties wel te meten zijn, maar dan zoveel indicatoren om de hoek komen kijken, en er zoveel gescoord moet worden dat het administratief niet meer te doen. Het ZelCom model, dat als een soort DNA van een ‘toets’, (toets in dit geval als theorietoets, praktijkopdracht, stage) en van het te toetsen object. Dit model zal overigens later dit jaar een uitgebreid artikel over verschijnen.
· Personal Development Portfolio: 26 verschillende curricula met allemaal hun eigen toets en beoordelingsformulieren voor alle specialismen in een ziekenhuis. Een leeromgeving op maat en toch beheersbaar.
Een doorkijkje van waar het naar toe gaat
Zoals gezegd zal ik in deel 2 van dit artikel proberen hier een beeld van te kunnen schetsen. Na de zomer gaan we aan de slag met een aantal projecten waarin de integratie van belang is. Enquête achtige oplossingen, gecombineerd met itembanken, waar social media achtige oplossingen helpen om met elkaar vragen te maken en te ‘ranken’, matching van kwalificaties met opdrachten en combinatie van dit alles in een persoonlijke mobiele omgeving waar weer collectief data uitgehaald kan worden voor onderzoek en toetsen ingezet kunnen worden.
Dit artikel werd voor een blog te lang. Dus heb ik het in twee stukken geknipt. Deel 2 volgt na de zomer.
Fijne vakantie….!
Zijn we blij met hoe we nu toetsen? Allemaal tevreden met de mogelijkheden die systemen bieden? En het gemak? Niet echt. Maar er is niks beters, hoor je dan. Het is op zich niet nieuw dat systemen nooit precies aansluiten bij wat we in de praktijk nodig hebben. Zeker niet als die praktijk verandert.
Vaak ligt de oorzaak in de erfenis, of ‘legacy’ van de systemen, maar ook van de organisaties. Processen stammen nog uit de tijd van de boekdrukkunst en zijn afgestemd op het verwerken van papier. Ik veroordeel dit niet, maar constateer het. We automatiseren de werkelijkheid die is gebaseerd op een papieren tijdperk. We automatiseren de cursus-gedreven onderwijscultuur en perfectioneren dit steeds verder.
Ik loop zelf rond in deze wereld en zit steeds meer met de vraag of dit niet een heel suboptimale weg is? Om te voorkomen om dan in een onuitvoerbare academische discussie te geraken, loop ik zo wat van de vragen die dit oproept langs, en beschrijf ik wat ontwikkelingen die volgens mij wel de goeie kant op gaan.
In dit blogtikel kijk ik naar toetsen en beoordelen. Wat is dit voor vreemd fenomeen, bekeken vanuit een wat meer sociologisch perspectief? Vandaaruit blik ik wat vooruit, uit de brainstormsessies die ik de afgelopen maanden heb gehad met een aantal mensen die ‘iets hebben met toetsen’ , vooral in de Zorg maar ook in andere onderwijstakken. Een paar nog ruwe, oude, nieuwe en andere ideeën.
Perspectief Vorig jaar op de Educause zei een spreker over gaming: onderwijs is eigenlijk één grote game. Wij hebben er alleen een hele slechte van gemaakt.
Als ik terugkijk op naar mijn eigen opleidingsjaren, dan begon school pas te leven in de stages. Toen begreep ik waar al die theorie, die nog was blijven hangen, voor nodig was. En pas toen ik zelf een keuze kon maken voor een opleiding die bij me paste, kwam ik uit de 6-jes regen. Ik kreeg zowaar lol in leren.
Er lijkt een verhouding te zijn tussen (intrinsieke) motivatie en wat we van het systeem moeten en de praktijk betekenis van het leren (context rijk leren). Hoewel niet wetenschappelijk bewezen lijkt het op de bovenstaande figuur.
Dus de mate van vrijwilligheid, en de relatie met het nut zijn van belang. Op zich is de gedachte van het competentie-leren in theorie dan zo gek nog niet. Leren in de context van de (beroeps)praktijk. Aansluiten bij de praktijk. Alleen hoe meet je de resultaten? Hoe organiseer je het onderwijs? En hoe zorg je dat docenten er mee uit de voeten kunnen. Ze hebben namelijk steeds meer geleerd om een deelgebied te doceren.
En zoals Edgar Schein al zei:
als je een olifant doormidden knipt, krijg je geen twee kleine olifantjes, maar een enorme smeerboel.
Innovatie Is hiermee ook de onderwijs innovatie failliet? Gelukkig niet. Wel zijn bijna alle innovatiemanagers wegbezuinigd, is het woord innovatie uit alle projecten geschrapt en is de meeste lucht uit de projecten gefietst.
Wat overblijft zijn, als je alle projecten los van elkaar bekijkt, projecten die praktisch bruikbaar zijn en vaak goede ideeën opleveren. Het wordt pas echt interessant als je al die projecten naast elkaar legt. Je ziet dan in grote lijn waar het naar toe lijkt te gaan.
Hieronder volgt een paar voorbeelden van projecten. In deel twee gaan we in op de integratie en waar het naar toe gaat…
· Peer review TU Delft: peer evaluatietool
· Doorstromen in de keten: publicatie en presentatie volgt op de Surf Onderwijs Dagen. Een project waarin doorstroming van MBO naar HBO in beeld is gebracht. Met name het koppelen van kwalificaties van de twee opleidingen en matchen van die kwalificaties van studenten aan een project en zo een optimaal team met HBO-ers en MBO-ers te formeren. Bij dit project zijn de Hogeschool Utrecht en Saxion vanuit competenties blijven denken en wisten toch een bruikbaar meetinstrument te ontwikkelen. De complexiteit is dat competenties wel te meten zijn, maar dan zoveel indicatoren om de hoek komen kijken, en er zoveel gescoord moet worden dat het administratief niet meer te doen. Het ZelCom model, dat als een soort DNA van een ‘toets’, (toets in dit geval als theorietoets, praktijkopdracht, stage) en van het te toetsen object. Dit model zal overigens later dit jaar een uitgebreid artikel over verschijnen.
· Personal Development Portfolio: 26 verschillende curricula met allemaal hun eigen toets en beoordelingsformulieren voor alle specialismen in een ziekenhuis. Een leeromgeving op maat en toch beheersbaar.
Een doorkijkje van waar het naar toe gaat
Zoals gezegd zal ik in deel 2 van dit artikel proberen hier een beeld van te kunnen schetsen. Na de zomer gaan we aan de slag met een aantal projecten waarin de integratie van belang is. Enquête achtige oplossingen, gecombineerd met itembanken, waar social media achtige oplossingen helpen om met elkaar vragen te maken en te ‘ranken’, matching van kwalificaties met opdrachten en combinatie van dit alles in een persoonlijke mobiele omgeving waar weer collectief data uitgehaald kan worden voor onderzoek en toetsen ingezet kunnen worden.
Dit artikel werd voor een blog te lang. Dus heb ik het in twee stukken geknipt. Deel 2 volgt na de zomer.
Fijne vakantie….!
maandag 11 juli 2011
Een innovatieve opleiding genereert zijn eigen werkveld
Bas Olde Hampsink
Manager Innovation, School of Creative Technology, Saxion
De kwaliteit van het HBO moet omhoog. Volgens onze staatssecretaris gaat dat lukken door eerste jaars studenten kennis te laten maken met het uiteindelijke beroep waarvoor hij of zij wordt opgeleidt.
Maar….. dan moet dat beroep wel helder zijn. Laat dat nu net haaks staan op opleidingen die INNOVATIE hoog in het vaandel hebben staan.
Want moeten we ook niet innoveren van de regering!!!!!
Als je een huidige eerste jaars student Media of ICT moet duidelijk maken hoe zijn beroep er over pakweg 3 a 4 jaar uitziet dan ben je voorwaar een helderziende.
Even terugblikken dan maar. Huidige afgestudeerde studenten ICT komen in een wereld waar het momenteel draait om apps en mobile en niet meer om ‘internet’. Hadden we dat vier jaar geleden aan hen kunnen vertellen. Nee, natuurlijk niet.
Zo’n vergelijking kun je ook opstellen voor de Media sector. Denk maar even aan de huidige impact van social media in vergelijking met vier jaar geleden. De technologie innoveert zo snel dat het onmogelijk is om dit over een periode van langer dan een jaar te voorspellen.
En dan nog even het bedrijfsleven. Zij zouden het HBO moeten vertellen wat ze nodig hebben. Nou, mooi niet. En dat snap ik wel. Zij willen graag de voordelen van die nieuwe technologien gaan gebruiken maar weten niet hoe.
En daar kan het HBO nou mooi op inspelen.
Ontwerp een didactisch model waarbij het bedrijfsleven, samen met de studenten en docenten van het HBO, op zoek gaan naar nieuwe oplossingen voor dat bedrijfsleven. Het gaat dus om het zoeken. Dit kun je natuurlijk vertalen naar ‘onderzoeken’. Per definitie is de uitkomst ongewis. Maar Innovatie staat voorop en de student en het bedrijfsleven leren beide. Hier zit ook een link naar kennisvalorisatie. Natuurlijk moet dit proces deskundig begeleidt worden door docenten.
Dus er zijn volop kansen voor het HBO als we er de kans maar voor krijgen.
Manager Innovation, School of Creative Technology, Saxion
De kwaliteit van het HBO moet omhoog. Volgens onze staatssecretaris gaat dat lukken door eerste jaars studenten kennis te laten maken met het uiteindelijke beroep waarvoor hij of zij wordt opgeleidt.
Maar….. dan moet dat beroep wel helder zijn. Laat dat nu net haaks staan op opleidingen die INNOVATIE hoog in het vaandel hebben staan.
Want moeten we ook niet innoveren van de regering!!!!!
Als je een huidige eerste jaars student Media of ICT moet duidelijk maken hoe zijn beroep er over pakweg 3 a 4 jaar uitziet dan ben je voorwaar een helderziende.
Even terugblikken dan maar. Huidige afgestudeerde studenten ICT komen in een wereld waar het momenteel draait om apps en mobile en niet meer om ‘internet’. Hadden we dat vier jaar geleden aan hen kunnen vertellen. Nee, natuurlijk niet.
Zo’n vergelijking kun je ook opstellen voor de Media sector. Denk maar even aan de huidige impact van social media in vergelijking met vier jaar geleden. De technologie innoveert zo snel dat het onmogelijk is om dit over een periode van langer dan een jaar te voorspellen.
En dan nog even het bedrijfsleven. Zij zouden het HBO moeten vertellen wat ze nodig hebben. Nou, mooi niet. En dat snap ik wel. Zij willen graag de voordelen van die nieuwe technologien gaan gebruiken maar weten niet hoe.
En daar kan het HBO nou mooi op inspelen.
Ontwerp een didactisch model waarbij het bedrijfsleven, samen met de studenten en docenten van het HBO, op zoek gaan naar nieuwe oplossingen voor dat bedrijfsleven. Het gaat dus om het zoeken. Dit kun je natuurlijk vertalen naar ‘onderzoeken’. Per definitie is de uitkomst ongewis. Maar Innovatie staat voorop en de student en het bedrijfsleven leren beide. Hier zit ook een link naar kennisvalorisatie. Natuurlijk moet dit proces deskundig begeleidt worden door docenten.
Dus er zijn volop kansen voor het HBO als we er de kans maar voor krijgen.
zaterdag 2 juli 2011
Presteren in HO, yes we can?
Natuurlijk gaan de 16 miljoen bondscoaches weer wat roepen over de plannen uit het SER Rapport strategische agenda hoger onderwijs en dus staan de media er bol van.
De kwaliteit moet omhoog van student en docent. Dat gaan we natuurlijk bereiken door betere selectie, betere docenten, begeleiding bij de studiekeuze, VWO-ers naar het HBO, meer dan 10 uur! contacttijd, minder opleidingen, weg met de 6-jes cultuur, klassen maken, zitten blijven kan. Mooi, goed zo! Hier kan niemand op tegen zijn.
Gelukkig hebben wij Blackboard als leeromgeving (net voor 1,6 biljoen verkocht overigens), die is het best in courses (lees modules, lees vakken) in vaste groepen. Dus daar zitten we goed, even niets meer aan doen lijkt me. Dan kunnen we ook klassikaal toetsen, we hebben Teleform zodat we op papier toetsen afnemen en de digitale toetsomgeving gebruiken voor toetsconstructie en analyse. We gebruiken video ondermeer om de studenten ingewikkelde materie herhaald aan te bieden. Nog mooier de docent ziet zichzelf en vindt vaak dat hij het beter kan uitvoeren (kwaliteitsverbetering van het onderwijs).
Wanneer ik nu kijk naar alle ontwikkelingen die worden voorgesteld en ik kijk naar de “innovatie” of uitvoering van het onderwijs met behulp van ICT in relatie tot de lat hoger leggen dan zie ik:
1. verplichte deskundigheidsbevordering (naast dat ze master moeten zijn in 2020) van de docent op didactiek in een digitale leeromgeving (met name in het HBO hebben we veel vakinhoudelijke specialisten, de didactisch/pedagogische deskundigheid is er niet of minimaal). Opnemen in de gesprekscyclus en bij beoordelingsgesprekken…… Kansen voor de SURF academy, daar waar mogelijk met de lokale “academies” en “op lokatie”.
2. Trainingen en workshops kwaliteit van digitaal toetsen en gebruik van video. Hoe maak je eigenlijk goede toetsen? Hoe analyseer je dat en doe je daar dan ook wat mee? Goede toetsing leidt tot goed leren, toch?
3. Learning analytics irt gebruik van de DLO door docent, student en onderwijskwaliteit. Laten we in plaats van maar te blijven roepen met ons onderbuikgevoel eens trachten te “bewijzen” wat wel en niet werkt. Je kunt wel zeggen dat je met buitenspelers het beste voetbal speelt, maar hoe zit dat met het wereldkampioenschap?
4. Begeleiden en volgen van de student in de DLO, procesmatig onderwijsdashboard (zie bijvoorbeeld de uitwerkingen in de SURF projecten als DINK of Kies Actief) een samenvatting van hoe de student er voor staat (dus toch een portal-achtige omgeving? Ik bedoel hier niet de cijfers, dat is geen procesbegeleiding maar beoordeling).
5. Ook goed om naar te kijken als idee: elektronische lessen als lestijd
6. Adaptieve leermomenten als instructie en help in DLO, hints, tips en voorkomen van onnodige valkuilen, zonder dat je daar de docenttijd voor hoeft te gebruiken.
7. Internationalisering als topic. Virtuele mobiliteit (formele kant) via de DLO laten lopen. Meer aandacht voor video conferencing en web 2.0 functionaliteiten in formele omgeving, let op ik bedoel hier dus nadrukkelijk niet allerlei informele omgevingen maar wel het ontsluiten van de mogelijkheden binnen onze DLO (blog, wiki, chat, discussielijsten enz.). Zie ook punt 1, scholing in het didactisch gebruik van een DLO. Hoewel door velen “verdoemd” toch ook maar eens kijken naar afstandsonderwijs
8. …….. vul ze zelf maar in
Natuurlijk moet er dan ook nog aandacht zijn voor any device, de cloud, social media enzo.
Deze bondscoach nummer 15.134.321 ziet dat we moderne middelen moeten inzetten op het ouderwetse onderwijsspelletje, geeft niet de video’s van Wiel Coerver, kappen en draaien zijn ook nog steeds bruikbaar.
We starten gewoon met de nieuwe hervormingen, zonder dat de vorige (verfoeide) ontwikkelingen een kans hebben gehad. Geeft niets dat doen we toch elke zeg 6 jaar. Meer tijd naar de docent (prima idee, vooral meer docenten), minder ondersteuning (prima idee, want immers meer docenten), meer profilering (prima idee, terug naar HTS, HEAO), meer master opgeleide docenten (prima idee, doe er gelijk meer didactiek bij), blijven zitten (prima idee, je kunt niet verder als de basis er niet is).
Je begrijpt het al een beetje kritisch blijven kijken en bepaal je focus, dat is al moeilijk genoeg. Wijk niet in een keer van je koers af. Kijk wat je nu doet, maak het af, dan heb je je profilering en diepgang vast snel te pakken.
Ik gok op: verdiepen inzet DLO (didactiek en analyses), uitbreiden digitale toetsing en inzet van video in het onderwijs. De rest komt dan wel, hoop ik.
De kwaliteit moet omhoog van student en docent. Dat gaan we natuurlijk bereiken door betere selectie, betere docenten, begeleiding bij de studiekeuze, VWO-ers naar het HBO, meer dan 10 uur! contacttijd, minder opleidingen, weg met de 6-jes cultuur, klassen maken, zitten blijven kan. Mooi, goed zo! Hier kan niemand op tegen zijn.
Gelukkig hebben wij Blackboard als leeromgeving (net voor 1,6 biljoen verkocht overigens), die is het best in courses (lees modules, lees vakken) in vaste groepen. Dus daar zitten we goed, even niets meer aan doen lijkt me. Dan kunnen we ook klassikaal toetsen, we hebben Teleform zodat we op papier toetsen afnemen en de digitale toetsomgeving gebruiken voor toetsconstructie en analyse. We gebruiken video ondermeer om de studenten ingewikkelde materie herhaald aan te bieden. Nog mooier de docent ziet zichzelf en vindt vaak dat hij het beter kan uitvoeren (kwaliteitsverbetering van het onderwijs).
Wanneer ik nu kijk naar alle ontwikkelingen die worden voorgesteld en ik kijk naar de “innovatie” of uitvoering van het onderwijs met behulp van ICT in relatie tot de lat hoger leggen dan zie ik:
1. verplichte deskundigheidsbevordering (naast dat ze master moeten zijn in 2020) van de docent op didactiek in een digitale leeromgeving (met name in het HBO hebben we veel vakinhoudelijke specialisten, de didactisch/pedagogische deskundigheid is er niet of minimaal). Opnemen in de gesprekscyclus en bij beoordelingsgesprekken…… Kansen voor de SURF academy, daar waar mogelijk met de lokale “academies” en “op lokatie”.
2. Trainingen en workshops kwaliteit van digitaal toetsen en gebruik van video. Hoe maak je eigenlijk goede toetsen? Hoe analyseer je dat en doe je daar dan ook wat mee? Goede toetsing leidt tot goed leren, toch?
3. Learning analytics irt gebruik van de DLO door docent, student en onderwijskwaliteit. Laten we in plaats van maar te blijven roepen met ons onderbuikgevoel eens trachten te “bewijzen” wat wel en niet werkt. Je kunt wel zeggen dat je met buitenspelers het beste voetbal speelt, maar hoe zit dat met het wereldkampioenschap?
4. Begeleiden en volgen van de student in de DLO, procesmatig onderwijsdashboard (zie bijvoorbeeld de uitwerkingen in de SURF projecten als DINK of Kies Actief) een samenvatting van hoe de student er voor staat (dus toch een portal-achtige omgeving? Ik bedoel hier niet de cijfers, dat is geen procesbegeleiding maar beoordeling).
5. Ook goed om naar te kijken als idee: elektronische lessen als lestijd
6. Adaptieve leermomenten als instructie en help in DLO, hints, tips en voorkomen van onnodige valkuilen, zonder dat je daar de docenttijd voor hoeft te gebruiken.
7. Internationalisering als topic. Virtuele mobiliteit (formele kant) via de DLO laten lopen. Meer aandacht voor video conferencing en web 2.0 functionaliteiten in formele omgeving, let op ik bedoel hier dus nadrukkelijk niet allerlei informele omgevingen maar wel het ontsluiten van de mogelijkheden binnen onze DLO (blog, wiki, chat, discussielijsten enz.). Zie ook punt 1, scholing in het didactisch gebruik van een DLO. Hoewel door velen “verdoemd” toch ook maar eens kijken naar afstandsonderwijs
8. …….. vul ze zelf maar in
Natuurlijk moet er dan ook nog aandacht zijn voor any device, de cloud, social media enzo.
Deze bondscoach nummer 15.134.321 ziet dat we moderne middelen moeten inzetten op het ouderwetse onderwijsspelletje, geeft niet de video’s van Wiel Coerver, kappen en draaien zijn ook nog steeds bruikbaar.
We starten gewoon met de nieuwe hervormingen, zonder dat de vorige (verfoeide) ontwikkelingen een kans hebben gehad. Geeft niets dat doen we toch elke zeg 6 jaar. Meer tijd naar de docent (prima idee, vooral meer docenten), minder ondersteuning (prima idee, want immers meer docenten), meer profilering (prima idee, terug naar HTS, HEAO), meer master opgeleide docenten (prima idee, doe er gelijk meer didactiek bij), blijven zitten (prima idee, je kunt niet verder als de basis er niet is).
Je begrijpt het al een beetje kritisch blijven kijken en bepaal je focus, dat is al moeilijk genoeg. Wijk niet in een keer van je koers af. Kijk wat je nu doet, maak het af, dan heb je je profilering en diepgang vast snel te pakken.
Ik gok op: verdiepen inzet DLO (didactiek en analyses), uitbreiden digitale toetsing en inzet van video in het onderwijs. De rest komt dan wel, hoop ik.
dinsdag 28 juni 2011
Meer rendement van Basisschool-ICT, een Post HBO Leergang
Gert J. Muller, Freelance Onderwijs Designer & Researcher
Het afgelopen jaar had ik het genoegen om een Post HBO Leergang ‘Meer rendement van Basisschool-ICT’ te mogen ontwikkelen voor de Saxion Hogeschool. De leergang moest zich richten op medewerkers in het primair onderwijs die reeds in een ICT-functie werkzaam zijn en zich willen ontwikkelen tot een basisschool ICT-Professional op Post-HBO niveau. De leergang moest niet over ICT gaan, maar zich bewegen tussen ‘Beleid Ontwikkelen en Innoveren’. Zowaar een doorbraak en kantelpunt in het denken over wat zogenaamde ICT-coördinatoren aan bagage moeten hebben om meer rendement te halen uit al die ICT-middelen, die op de basisscholen aanwezig zijn. Het heeft een boeiende ontdekkingstocht opgeleverd, voor zowel cursusleiders als voor cursisten. De presentaties van de cursisten over de resultaten, neergelegd in een ICT-Beleidsplan, en hun ontwikkeling waren verrassend. Systeemdenken in een lerende school als leidraad, als we werken aan het leren van de toekomst, dat hebben we als rode draad door de leergang geweven. En dat heeft wat opgeleverd, zo was te merken in de presentaties.
Leidende gedachte
Als leidende gedachte hebben we er voor gekozen dat bij innovaties in het onderwijs curriculumontwikkeling, aanpassing van de infrastructuur en organisatiestructuur hand in hand gaan. Daarbij zien we verandering, volgens Fullan (1991)[1], als een complex sociaal proces, waarin individuen op verschillende niveaus - leerkrachten, leerlingen, management, inspecteurs, lokale en landelijke beleidsmakers - een belangrijke rol spelen.
Systeemdenken, opgevat als een manier van kijken naar de werkelijkheid, het vermogen om relaties te zien en te begrijpen in dynamische systemen, vormt de basis. Door deze manier van kijken leren we het totaalbeeld te zien, niet slechts details. Deze zogenaamde vijfde discipline, volgens Senge (1992)[2], van een lerende organisatie - naast bouwen aan een gezamenlijke visie, ontwikkelen van persoonlijk meesterschap, oog voor mentale modellen en teamleren - vormt de hefboom voor het ontwikkelen in de richting van een lerende school.
Leren om het leren van de toekomst zo in te richten dat we voor leerkrachten en leerlingen op de basisschool een uitdagende leeromgeving inrichten, waarvan een digitale omgeving een niet onbelangrijk onderdeel uitmaakt. Daarvoor moet natuurlijk een adequate ICT infrastructuur aanwezig zijn. Dat zal wel gaan in de richting van het beschikbaar komen van mobiel internet, want volgens Hop & Delver (2009)[3] gebruikt 39 % van de wereldbevolking in 2014 mobiel internet. En alle informatie zit op termijn toch in ‘the cloud’. We moeten het gewoon niet over of van ICT hebben voor het leren van de toekomst, ondanks het feit dat Kennisnet ICT-schaarste in het onderwijs[4] signaleert? Het niet over ICT hebben en het gewoon zien als één van de middelen om onderwijs van de toekomst vorm te geven, dat is een goede gedachte!
Verspieders
Om het onderwijs van vandaag vorm te geven, moeten we als verspieders de toekomst verkennen. Zicht krijgen op welke kant het uitgaat en dat meenemen in het ontwikkelen van beleid, dat is een belangrijke competentie voor de ICT-Professional in de basisschool. Daar hoort bij ‘in de toekomst kijken’, trendanalyse, die toekomstige ontwikkelingen vertalen naar de eigen schoolpraktijk en natuurlijk het belang afwegen voor de eigen schoolontwikkeling.
Bijvoorbeeld in zijn advies ‘Onderwijs en open leermiddelen’ (2008)[5] pleit de Onderwijsraad om de koers vooral te richten op open leermiddelen: digitale leermiddelen die voor een groot deel vrij toegankelijk zijn, en die leerkrachten naar behoeften kunnen arrangeren, aanvullen of veranderen.
De raad vindt het van groot belang dat het momentum voor de digitalisering van het bekostigde onderwijs niet verloren gaat. Hij constateert dat de overheid meer regie moet nemen om de komende vijf jaar, vanaf 2008 dus, een krachtige impuls te geven en dat leerkrachten bij het optimaliseren van het onderwijs de digitale mogelijkheden van met name de open leermiddelen veel meer moeten benutten. Er zijn initiatieven in de richting van het ontwerpen van digitaal lesmateriaal door leraren, die op termijn ook nog gratis beschikbaar zullen komen (Obbink, 2008)[6]. Maar dat zal niet vanzelf gaan en heeft begeleiding nodig van ontwikkelaars en onderzoekers.
Volgens ‘Nederland 2027, het toekomst beeld van het innovatieplatform’ (2005)[7] houdt het leren nooit op en vindt straks leren overal plaats: thuis, op het werk en natuurlijk op school. De vorm zal meer interactief en multimediaal worden en het werken in kleine groepen komt centraal te staan.
De goede ‘vruchten’ uit de toekomst meenemen voor het onderwijs van vandaag, dat is de uitdaging waar de ICT-Professionals onder andere voor komen te staan. Dat hebben we ruim aandacht gegeven in de leergang. Daarbij is gebruik gemaakt van interactieve werkvormen, zoals het KennisCafé, om er voor te zorgen dat de impliciete kennis van elke deelnemer geëxpliciteerd wordt in het te schetsen toekomstperspectief. Een rijke ervaring voor de cursisten met een werkvorm die zij kunnen toepassen in hun eigen schoolsituatie om de ideeën van elke collega ‘boven water’ te krijgen, omdat we weten dat er nogal wat subjectieve concepten onder de oppervlakte blijven.
KennisCafé
Een KennisCafé is een krachtige werkvorm die het mogelijk maakt om een levendige gezamenlijke dialoog op te zetten rondom vragen die er echt toe doen.
Aan verschillende kleine ’cafétafeltjes’ bespreken groepjes van vier à vijf personen een gemeenschappelijk thema.
De resultaten van dit gesprek worden geborgd door ze vast te leggen in een MindMap op het ‘tafelkleed’. Na 20 à 30 minuten wisselen de groepjes van tafel. Eén persoon, de stamgast, blijft achter en draagt het resultaat over aan de volgende groep.
Richtinggevende vragen waren:
Het valt op dat het vooral gaat over toegang tot informatie, kennisuitwisseling en communicatie. De winst zit in de ontwikkeling van een andere houding en het bouwen aan een eigen kijk op de ‘wereld’, die basisschool heet in dit geval.
Laurillard (1993, p. 26)[8] spreekt van:
Zij spreekt van ‘mediated learning’ after Vygotsky (1962, p. 102) en dat geeft aardig weer waar het bij de Post-HBO Leergang om draait, het ontwikkelen in de richting van een academische houding. Fullan (2005)[9] noemt dat ‘the new theoretician, system thinkers in action’. Dat zijn ‘reflective practitioners whose theories are lived in action every day’. Dat gaat over leiderschap in alle lagen van de schoolorganisatie. De ICT-Professional moet pendelen tussen het operationele en het strategische niveau van de schoolorganisatie, middle-up-down noemen Nonaka & Takeuchi (1999)[10] dat, voor het creëren van kennis over het inzetten van ICT in zijn lerende school. Wat hij daarvoor nodig heeft wordt beschreven door Fullan (2001)[11] in de vijf kerncompetenties voor leiderschap in een lerende school: morele doelen, inzicht in veranderingsprocessen, bouwen aan relaties, ontwikkelen en delen van kennis en oog voor samenhang. Belangrijke eigenschappen om daaraan te werken zijn: energie, enthousiasme en hoop. Beleid formuleren en dat beschrijven in een ICT-Beleidsplan is één, maar om dat daadwerkelijk te realiseren is veel meer nodig. Daarvoor hebben we cursisten gereedschappen aangereikt, om in te zetten in het innovatieproces.
Innovatie
Uit onderzoek[12] blijkt dat het moeilijk is om op de terreinen van kennis en communicatie innovatief te zijn. Voor een daadwerkelijke innovatie zal er, naast technologische innovatie, veel meer aandacht moeten zijn voor proces- en sociale innovatie. Want uit datzelfde onderzoek komt naar voren dat niet zozeer technologie en technologische kennis, maar vooral de organisatie van processen en de menselijke factor van doorslaggevend belang zijn voor het realiseren van innovaties. Uiteindelijk is innovatie mensenwerk, met een menselijke maat en een menselijk gezicht. Het gaat om het motiveren van mensen en het benutten van hun creativiteit, talenten en ondernemingszin. Daarbij is leiderschap nodig dat oog heeft voor het menselijk kapitaal en hecht aan vertrouwen, vrijheid en verantwoordelijkheid als cultuurkenmerken. Om duurzame onderwijsinnovatie en kennisontwikkeling binnen het onderwijsveld te realiseren, hebben we zo’n cultuur nodig. Een cultuur waar willen uitblinken de norm is, waar durf gewaardeerd wordt en op falen geen stigma rust.
Willen excelleren, ontwikkelen van talenten, heeft reflectie nodig. Na een fase van ‘fast learning’, om bijvoorbeeld een nieuw onderwijsparadigma neer te zetten, moet er tijd zijn voor ‘slow learning’ om de nieuwe ontwikkelingen in te bedden, te internaliseren. Hernieuwde aandacht voor vakmanschap en kennis is nodig voor duurzame innovatie. De waardering hiervoor hebben we in de achterliggende jaren alleen maar zien afnemen. We moeten de tijd nemen en iedereen in het innovatieproces de tijd gunnen. Dat hebben de cursisten goed tussen de oren gekregen, zo is gebleken uit hun presentaties. Dat is in de leergang onder andere duidelijk gemaakt aan de hand van de fabels over ‘Onze IJsberg smelt, succesvol veranderen in moeilijke omstandigheden’[13] en ‘Wie heeft mijn kaas gepikt?, omgaan met veranderingen’[14]. Het gebruik van dit soort middelen werkt, zo is gebleken.
De haas en de schildpad
In de fabel over de haas en de schildpad, van Jean de La Fontaine (1621-1695) geïnspireerd door werk van Aesopus, houden de twee dieren een wedloop. De haas denkt makkelijk te zullen winnen en spant zich totaal niet in. Onderweg denkt hij gerust een dutje te kunnen doen, maar als hij wakker wordt, heeft de schildpad de finish al bereikt. Zo verliest de haas toch de wedstrijd. De moraal van het verhaal is dat hardlopers doodlopers zijn en dat langzaam-maar-zeker-werk tot goede resultaten leidt. Fullan (2001) gebruikt deze fabel in het slothoofdstuk van ‘Leading in a culture of change’ en trekt daar lessen uit voor leadership dat nodig is om echt veranderingen tot stand te brengen.
Die lessen gaan in richting van het gedrag van de schildpad: ‘The lessons for developing leaders in a culture of change are more tortoise-like than hare-like because they involve slow learning in context over time. … three powerful lessons about leadership that have implications for developing more of it. Fortunately, they are intricately interrelated: the vital paradoxical need for slow learning, the importance of learning in context, and the need for leaders at all levels of the organization, in order to achieve widespread internal commitment.’(p. 121).
Fullan (2001) beëindigt zijn boek met: ‘Ultimately, your leadership in a culture of change will judged as effective or in effective not by who you are as a leader but by what leadership you produce in others. Tortoises, start your engines!’ (p. 137).
Of dan de informatie- en kennissystemen zich in ‘the cloud’ bevinden of straks misschien wel op Mars, dat doet er niet zoveel toe als de informatie maar bereikbaar is en kennis op elk moment uitgewisseld kan worden. Nog belangrijker is het dat mensen in de schoolorganisatie daadwerkelijk informatie toevoegen en kennis met elkaar uitwisselen. Dat is wat de ICT-Professional tot stand moet brengen. Kennisverwerving én kennisconstructie én kenniscreatie in een (digitale) onderwijsleeromgeving zou wel eens de richting voor het leren van de toekomst kunnen zijn. En dat die omgeving dan bereikbaar is via mobiel internet of zo, overal en op elk moment, dat is prima.
[1] Fullan, M.G. (1991). The new meaning of educational change. New York: Teachers College Press.
[2] Senge, P. (1992). De vijfde discipline: de kunst en praktijk van de lerende organisatie. Schiedam: Scriptum Books.
[3] Hop, Liesbeth & Delver, Bamber (2009). De WIFI-generatie, de jeugd op het mobiele internet. vliegensvlug en Vogelvrij. Amsterdam: De Ronde Tafel.
[4] Stichting Kennisnet (2010). Vier in Balans Monitor 2010. ICT in het onderwijs: de stand van zaken. Zoetermeer: Kennisnet.
[5] Onderwijsraad (2008). Onderwijs en open leermiddelen. Den Haag: Onderwijsraad.
[6] Obbink, Hanne (2008). Leraren springen zelf in het gat dat de educatieve uitgevers laten liggen. Digitaal lesmateriaal wordt vaker gratis. In: Trouw van dinsdag 14 Oktober 2008.
[7] Innovatieplatform (2005). Nederland 2027, het toekomst beeld van het innovatieplatform. Den Haag: Innovatieplatform.
[8] Laurillard, Diana (1993). Rethinking University Teaching, a framework for the effective use of educational technology. London: Routledge.
[9] Fullan, Michael (2005). Leadership & sustainability. System Thinkers in Action. Tousand Oaks, California: Corwin Press.
[10] Nonaka, Ikujiro & Takeuchi, Hirotaka (1999). De kenniscreërende onderneming, hoe Japanse bedrijven innovatieprocessen in gang zetten.Schiedam: Scriptum.
[11] Fullan, Michael (2001). Leading in a culture of change. San Francisco: John Wiley & Sons.
[12] Poucke, A.B.M., van (2004). Towards Radical Innovation in Knowledge Intensive Service Firms. Rotterdam: Promotieonderzoek, Erasmus Universiteit Rotterdam.
[13] Kotter, John & Rathgeber, Holger (2006). Onze IJsberg smelt, succesvol veranderen in moeilijke omstandigheden’. Amsterdam: Uitgeverij Business Contact.
[14] Johson, Spencer & Blanchard, Kenneth (2003). Wie heeft mijn kaas gepikt?, omgaan met veranderingen. Amsterdam: Uitgeverij Business Contact.
Het afgelopen jaar had ik het genoegen om een Post HBO Leergang ‘Meer rendement van Basisschool-ICT’ te mogen ontwikkelen voor de Saxion Hogeschool. De leergang moest zich richten op medewerkers in het primair onderwijs die reeds in een ICT-functie werkzaam zijn en zich willen ontwikkelen tot een basisschool ICT-Professional op Post-HBO niveau. De leergang moest niet over ICT gaan, maar zich bewegen tussen ‘Beleid Ontwikkelen en Innoveren’. Zowaar een doorbraak en kantelpunt in het denken over wat zogenaamde ICT-coördinatoren aan bagage moeten hebben om meer rendement te halen uit al die ICT-middelen, die op de basisscholen aanwezig zijn. Het heeft een boeiende ontdekkingstocht opgeleverd, voor zowel cursusleiders als voor cursisten. De presentaties van de cursisten over de resultaten, neergelegd in een ICT-Beleidsplan, en hun ontwikkeling waren verrassend. Systeemdenken in een lerende school als leidraad, als we werken aan het leren van de toekomst, dat hebben we als rode draad door de leergang geweven. En dat heeft wat opgeleverd, zo was te merken in de presentaties.
Leidende gedachte
Als leidende gedachte hebben we er voor gekozen dat bij innovaties in het onderwijs curriculumontwikkeling, aanpassing van de infrastructuur en organisatiestructuur hand in hand gaan. Daarbij zien we verandering, volgens Fullan (1991)[1], als een complex sociaal proces, waarin individuen op verschillende niveaus - leerkrachten, leerlingen, management, inspecteurs, lokale en landelijke beleidsmakers - een belangrijke rol spelen.
Systeemdenken, opgevat als een manier van kijken naar de werkelijkheid, het vermogen om relaties te zien en te begrijpen in dynamische systemen, vormt de basis. Door deze manier van kijken leren we het totaalbeeld te zien, niet slechts details. Deze zogenaamde vijfde discipline, volgens Senge (1992)[2], van een lerende organisatie - naast bouwen aan een gezamenlijke visie, ontwikkelen van persoonlijk meesterschap, oog voor mentale modellen en teamleren - vormt de hefboom voor het ontwikkelen in de richting van een lerende school.
Leren om het leren van de toekomst zo in te richten dat we voor leerkrachten en leerlingen op de basisschool een uitdagende leeromgeving inrichten, waarvan een digitale omgeving een niet onbelangrijk onderdeel uitmaakt. Daarvoor moet natuurlijk een adequate ICT infrastructuur aanwezig zijn. Dat zal wel gaan in de richting van het beschikbaar komen van mobiel internet, want volgens Hop & Delver (2009)[3] gebruikt 39 % van de wereldbevolking in 2014 mobiel internet. En alle informatie zit op termijn toch in ‘the cloud’. We moeten het gewoon niet over of van ICT hebben voor het leren van de toekomst, ondanks het feit dat Kennisnet ICT-schaarste in het onderwijs[4] signaleert? Het niet over ICT hebben en het gewoon zien als één van de middelen om onderwijs van de toekomst vorm te geven, dat is een goede gedachte!
Verspieders
Om het onderwijs van vandaag vorm te geven, moeten we als verspieders de toekomst verkennen. Zicht krijgen op welke kant het uitgaat en dat meenemen in het ontwikkelen van beleid, dat is een belangrijke competentie voor de ICT-Professional in de basisschool. Daar hoort bij ‘in de toekomst kijken’, trendanalyse, die toekomstige ontwikkelingen vertalen naar de eigen schoolpraktijk en natuurlijk het belang afwegen voor de eigen schoolontwikkeling.
Bijvoorbeeld in zijn advies ‘Onderwijs en open leermiddelen’ (2008)[5] pleit de Onderwijsraad om de koers vooral te richten op open leermiddelen: digitale leermiddelen die voor een groot deel vrij toegankelijk zijn, en die leerkrachten naar behoeften kunnen arrangeren, aanvullen of veranderen.
De raad vindt het van groot belang dat het momentum voor de digitalisering van het bekostigde onderwijs niet verloren gaat. Hij constateert dat de overheid meer regie moet nemen om de komende vijf jaar, vanaf 2008 dus, een krachtige impuls te geven en dat leerkrachten bij het optimaliseren van het onderwijs de digitale mogelijkheden van met name de open leermiddelen veel meer moeten benutten. Er zijn initiatieven in de richting van het ontwerpen van digitaal lesmateriaal door leraren, die op termijn ook nog gratis beschikbaar zullen komen (Obbink, 2008)[6]. Maar dat zal niet vanzelf gaan en heeft begeleiding nodig van ontwikkelaars en onderzoekers.
Volgens ‘Nederland 2027, het toekomst beeld van het innovatieplatform’ (2005)[7] houdt het leren nooit op en vindt straks leren overal plaats: thuis, op het werk en natuurlijk op school. De vorm zal meer interactief en multimediaal worden en het werken in kleine groepen komt centraal te staan.
De goede ‘vruchten’ uit de toekomst meenemen voor het onderwijs van vandaag, dat is de uitdaging waar de ICT-Professionals onder andere voor komen te staan. Dat hebben we ruim aandacht gegeven in de leergang. Daarbij is gebruik gemaakt van interactieve werkvormen, zoals het KennisCafé, om er voor te zorgen dat de impliciete kennis van elke deelnemer geëxpliciteerd wordt in het te schetsen toekomstperspectief. Een rijke ervaring voor de cursisten met een werkvorm die zij kunnen toepassen in hun eigen schoolsituatie om de ideeën van elke collega ‘boven water’ te krijgen, omdat we weten dat er nogal wat subjectieve concepten onder de oppervlakte blijven.
KennisCafé
Een KennisCafé is een krachtige werkvorm die het mogelijk maakt om een levendige gezamenlijke dialoog op te zetten rondom vragen die er echt toe doen.
Aan verschillende kleine ’cafétafeltjes’ bespreken groepjes van vier à vijf personen een gemeenschappelijk thema.
De resultaten van dit gesprek worden geborgd door ze vast te leggen in een MindMap op het ‘tafelkleed’. Na 20 à 30 minuten wisselen de groepjes van tafel. Eén persoon, de stamgast, blijft achter en draagt het resultaat over aan de volgende groep.
Richtinggevende vragen waren:
- 1ste ronde: Informatie- en kennisbehoefte van de schoolorganisatie als geheel in beeld brengen, gelet op toekomstige ontwikkelingen!
- 2e ronde: Vertaling naar concrete wensen ten aanzien van informatie- en kennisbehoefte voor de toekomst!
- 3e ronde: Functionele beschrijving van de gewenste informatie- en kennisbehoefte, en omgezet naar werkende informatie- en kennissystemen voor de toekomst!
Het valt op dat het vooral gaat over toegang tot informatie, kennisuitwisseling en communicatie. De winst zit in de ontwikkeling van een andere houding en het bouwen aan een eigen kijk op de ‘wereld’, die basisschool heet in dit geval.
Laurillard (1993, p. 26)[8] spreekt van:
‘Everyday knowledge is located in our experience of the world. … Academic knowledge is located in our experience of our experience of the world’.
Zij spreekt van ‘mediated learning’ after Vygotsky (1962, p. 102) en dat geeft aardig weer waar het bij de Post-HBO Leergang om draait, het ontwikkelen in de richting van een academische houding. Fullan (2005)[9] noemt dat ‘the new theoretician, system thinkers in action’. Dat zijn ‘reflective practitioners whose theories are lived in action every day’. Dat gaat over leiderschap in alle lagen van de schoolorganisatie. De ICT-Professional moet pendelen tussen het operationele en het strategische niveau van de schoolorganisatie, middle-up-down noemen Nonaka & Takeuchi (1999)[10] dat, voor het creëren van kennis over het inzetten van ICT in zijn lerende school. Wat hij daarvoor nodig heeft wordt beschreven door Fullan (2001)[11] in de vijf kerncompetenties voor leiderschap in een lerende school: morele doelen, inzicht in veranderingsprocessen, bouwen aan relaties, ontwikkelen en delen van kennis en oog voor samenhang. Belangrijke eigenschappen om daaraan te werken zijn: energie, enthousiasme en hoop. Beleid formuleren en dat beschrijven in een ICT-Beleidsplan is één, maar om dat daadwerkelijk te realiseren is veel meer nodig. Daarvoor hebben we cursisten gereedschappen aangereikt, om in te zetten in het innovatieproces.
Innovatie
Uit onderzoek[12] blijkt dat het moeilijk is om op de terreinen van kennis en communicatie innovatief te zijn. Voor een daadwerkelijke innovatie zal er, naast technologische innovatie, veel meer aandacht moeten zijn voor proces- en sociale innovatie. Want uit datzelfde onderzoek komt naar voren dat niet zozeer technologie en technologische kennis, maar vooral de organisatie van processen en de menselijke factor van doorslaggevend belang zijn voor het realiseren van innovaties. Uiteindelijk is innovatie mensenwerk, met een menselijke maat en een menselijk gezicht. Het gaat om het motiveren van mensen en het benutten van hun creativiteit, talenten en ondernemingszin. Daarbij is leiderschap nodig dat oog heeft voor het menselijk kapitaal en hecht aan vertrouwen, vrijheid en verantwoordelijkheid als cultuurkenmerken. Om duurzame onderwijsinnovatie en kennisontwikkeling binnen het onderwijsveld te realiseren, hebben we zo’n cultuur nodig. Een cultuur waar willen uitblinken de norm is, waar durf gewaardeerd wordt en op falen geen stigma rust.
Willen excelleren, ontwikkelen van talenten, heeft reflectie nodig. Na een fase van ‘fast learning’, om bijvoorbeeld een nieuw onderwijsparadigma neer te zetten, moet er tijd zijn voor ‘slow learning’ om de nieuwe ontwikkelingen in te bedden, te internaliseren. Hernieuwde aandacht voor vakmanschap en kennis is nodig voor duurzame innovatie. De waardering hiervoor hebben we in de achterliggende jaren alleen maar zien afnemen. We moeten de tijd nemen en iedereen in het innovatieproces de tijd gunnen. Dat hebben de cursisten goed tussen de oren gekregen, zo is gebleken uit hun presentaties. Dat is in de leergang onder andere duidelijk gemaakt aan de hand van de fabels over ‘Onze IJsberg smelt, succesvol veranderen in moeilijke omstandigheden’[13] en ‘Wie heeft mijn kaas gepikt?, omgaan met veranderingen’[14]. Het gebruik van dit soort middelen werkt, zo is gebleken.
De haas en de schildpad
In de fabel over de haas en de schildpad, van Jean de La Fontaine (1621-1695) geïnspireerd door werk van Aesopus, houden de twee dieren een wedloop. De haas denkt makkelijk te zullen winnen en spant zich totaal niet in. Onderweg denkt hij gerust een dutje te kunnen doen, maar als hij wakker wordt, heeft de schildpad de finish al bereikt. Zo verliest de haas toch de wedstrijd. De moraal van het verhaal is dat hardlopers doodlopers zijn en dat langzaam-maar-zeker-werk tot goede resultaten leidt. Fullan (2001) gebruikt deze fabel in het slothoofdstuk van ‘Leading in a culture of change’ en trekt daar lessen uit voor leadership dat nodig is om echt veranderingen tot stand te brengen.
Die lessen gaan in richting van het gedrag van de schildpad: ‘The lessons for developing leaders in a culture of change are more tortoise-like than hare-like because they involve slow learning in context over time. … three powerful lessons about leadership that have implications for developing more of it. Fortunately, they are intricately interrelated: the vital paradoxical need for slow learning, the importance of learning in context, and the need for leaders at all levels of the organization, in order to achieve widespread internal commitment.’(p. 121).
Fullan (2001) beëindigt zijn boek met: ‘Ultimately, your leadership in a culture of change will judged as effective or in effective not by who you are as a leader but by what leadership you produce in others. Tortoises, start your engines!’ (p. 137).
Of dan de informatie- en kennissystemen zich in ‘the cloud’ bevinden of straks misschien wel op Mars, dat doet er niet zoveel toe als de informatie maar bereikbaar is en kennis op elk moment uitgewisseld kan worden. Nog belangrijker is het dat mensen in de schoolorganisatie daadwerkelijk informatie toevoegen en kennis met elkaar uitwisselen. Dat is wat de ICT-Professional tot stand moet brengen. Kennisverwerving én kennisconstructie én kenniscreatie in een (digitale) onderwijsleeromgeving zou wel eens de richting voor het leren van de toekomst kunnen zijn. En dat die omgeving dan bereikbaar is via mobiel internet of zo, overal en op elk moment, dat is prima.
[1] Fullan, M.G. (1991). The new meaning of educational change. New York: Teachers College Press.
[2] Senge, P. (1992). De vijfde discipline: de kunst en praktijk van de lerende organisatie. Schiedam: Scriptum Books.
[3] Hop, Liesbeth & Delver, Bamber (2009). De WIFI-generatie, de jeugd op het mobiele internet. vliegensvlug en Vogelvrij. Amsterdam: De Ronde Tafel.
[4] Stichting Kennisnet (2010). Vier in Balans Monitor 2010. ICT in het onderwijs: de stand van zaken. Zoetermeer: Kennisnet.
[5] Onderwijsraad (2008). Onderwijs en open leermiddelen. Den Haag: Onderwijsraad.
[6] Obbink, Hanne (2008). Leraren springen zelf in het gat dat de educatieve uitgevers laten liggen. Digitaal lesmateriaal wordt vaker gratis. In: Trouw van dinsdag 14 Oktober 2008.
[7] Innovatieplatform (2005). Nederland 2027, het toekomst beeld van het innovatieplatform. Den Haag: Innovatieplatform.
[8] Laurillard, Diana (1993). Rethinking University Teaching, a framework for the effective use of educational technology. London: Routledge.
[9] Fullan, Michael (2005). Leadership & sustainability. System Thinkers in Action. Tousand Oaks, California: Corwin Press.
[10] Nonaka, Ikujiro & Takeuchi, Hirotaka (1999). De kenniscreërende onderneming, hoe Japanse bedrijven innovatieprocessen in gang zetten.Schiedam: Scriptum.
[11] Fullan, Michael (2001). Leading in a culture of change. San Francisco: John Wiley & Sons.
[12] Poucke, A.B.M., van (2004). Towards Radical Innovation in Knowledge Intensive Service Firms. Rotterdam: Promotieonderzoek, Erasmus Universiteit Rotterdam.
[13] Kotter, John & Rathgeber, Holger (2006). Onze IJsberg smelt, succesvol veranderen in moeilijke omstandigheden’. Amsterdam: Uitgeverij Business Contact.
[14] Johson, Spencer & Blanchard, Kenneth (2003). Wie heeft mijn kaas gepikt?, omgaan met veranderingen. Amsterdam: Uitgeverij Business Contact.
donderdag 23 juni 2011
Learning Analytics
Hoe een SURF bijeenkomst je mening aanzienlijk kan bijstellen….
Ik dacht bij dit onderwerp aan Amerikaanse toestanden van 88000 studenten gebruiken Blackboard van 90000 on campus. Daarvan studeert 40% van 3 uur ’s nachts tot
4 uur 33 AM. Leuk om te weten dat en wanneer je duur betaalde spullenboel wordt gebruikt, helemaal voor de financial controller.
Maar zie daar: John Doove pakt me in met zijn enthousiaste presentatie over Learning Analytics. Dat SURF deze ontwikkeling uit het door EDUCAUSE Learning initiative en the New Media Consortium van 2011 Horizon Report heeft gehaald en naar een Nederlands programma wil tillen begrijp ik nu dan ook.
Hij wil naar kwalitatieve indicatoren die je in bijvoorbeeld de DLO kunt onderzoeken. Een moeilijke opdracht maar zeker een interessante. Zo schreef Eus van Hove eens dat je in Blackboard een voorwaardelijke toets kunt gebruiken. Wanneer je die haalt krijg je de vervolgstof te zien in je DLO. Dat is voortborduren op kennis die je dan onder de knie hebt. Een goed didactisch principe. Of niet? Kunnen we dan vergelijken of studenten die op deze wijze in de DLO werken beter scoren dan studenten die dat niet doen? Daar kun je nog veel dieper over doordenken en dat lijkt me nu wel aan John besteed.
Ook Willem van Valkenburg laat in zijn presentatie (volgens mij in Leeds) zien hoe de TU Delft er al mee bezig is. Wanneer je weet wat de docenten en studenten gebruiken, in Blackboard in dit geval, kun je ook sturen op wat er “meer” te halen of te doen is. Beter didactisch gebruik, meer resultaat? Interessante ontwikkelingen dat zeker. Ik heb de omgeving Eesysoft waar Willem over rept bekeken en ben ook met hen in gesprek geraakt, ik zie daar zeker kansen liggen, scheelt je nog help- en instructie tijd ook!
Tot slot in deze overpeinzing: gebruiken de HBO-docenten die natuurlijk allemaal zeker vakman/vrouw zijn op de inhoud die ze doceren wel alle didactische mogelijkheden. Kennen ze die wel? Docent is aan de ene kant inhoudelijk vakmanschap en aan de andere kant didactisch/pedagogisch vakmanschap. Winst valt denk ik zeker te halen in dat tweede deel. Veel van onze docenten komen uit het bedrijfsleven. Hebben dan nog wellicht een didactische aantekening gehaald, maar die is in verhouding wel aan de “magere” kant ten opzichte van bijvoorbeeld een lerarenopleiding.
Wanneer we dus het gebruik van een DLO door middel van Learning Analytics kunnen koppelen aan de kwaliteit van het onderwijs dan lijkt me dat geweldig! John ik ben om, al was het alleen al om eens met bewijzen voor die kwaliteit te komen en dat is meer dan de vraag of de studenten wel tevreden zijn….. En nu ik toch bezig ben zou ik nog graag even teruggrijpen op mijn blogbericht op SURFspace waarin ik schreef dat je dan wel een wat langduriger koers moet inzetten en je niet na een jaar weer van die koers moet laten verdrijven, dat geld zeker bij dit soort onderzoeken. Dus als we “ja” zeggen dan graag ook voor een tiental jaar?
Doen, lijkt me.
Ik dacht bij dit onderwerp aan Amerikaanse toestanden van 88000 studenten gebruiken Blackboard van 90000 on campus. Daarvan studeert 40% van 3 uur ’s nachts tot
4 uur 33 AM. Leuk om te weten dat en wanneer je duur betaalde spullenboel wordt gebruikt, helemaal voor de financial controller.
Maar zie daar: John Doove pakt me in met zijn enthousiaste presentatie over Learning Analytics. Dat SURF deze ontwikkeling uit het door EDUCAUSE Learning initiative en the New Media Consortium van 2011 Horizon Report heeft gehaald en naar een Nederlands programma wil tillen begrijp ik nu dan ook.
Hij wil naar kwalitatieve indicatoren die je in bijvoorbeeld de DLO kunt onderzoeken. Een moeilijke opdracht maar zeker een interessante. Zo schreef Eus van Hove eens dat je in Blackboard een voorwaardelijke toets kunt gebruiken. Wanneer je die haalt krijg je de vervolgstof te zien in je DLO. Dat is voortborduren op kennis die je dan onder de knie hebt. Een goed didactisch principe. Of niet? Kunnen we dan vergelijken of studenten die op deze wijze in de DLO werken beter scoren dan studenten die dat niet doen? Daar kun je nog veel dieper over doordenken en dat lijkt me nu wel aan John besteed.
Ook Willem van Valkenburg laat in zijn presentatie (volgens mij in Leeds) zien hoe de TU Delft er al mee bezig is. Wanneer je weet wat de docenten en studenten gebruiken, in Blackboard in dit geval, kun je ook sturen op wat er “meer” te halen of te doen is. Beter didactisch gebruik, meer resultaat? Interessante ontwikkelingen dat zeker. Ik heb de omgeving Eesysoft waar Willem over rept bekeken en ben ook met hen in gesprek geraakt, ik zie daar zeker kansen liggen, scheelt je nog help- en instructie tijd ook!
Tot slot in deze overpeinzing: gebruiken de HBO-docenten die natuurlijk allemaal zeker vakman/vrouw zijn op de inhoud die ze doceren wel alle didactische mogelijkheden. Kennen ze die wel? Docent is aan de ene kant inhoudelijk vakmanschap en aan de andere kant didactisch/pedagogisch vakmanschap. Winst valt denk ik zeker te halen in dat tweede deel. Veel van onze docenten komen uit het bedrijfsleven. Hebben dan nog wellicht een didactische aantekening gehaald, maar die is in verhouding wel aan de “magere” kant ten opzichte van bijvoorbeeld een lerarenopleiding.
Wanneer we dus het gebruik van een DLO door middel van Learning Analytics kunnen koppelen aan de kwaliteit van het onderwijs dan lijkt me dat geweldig! John ik ben om, al was het alleen al om eens met bewijzen voor die kwaliteit te komen en dat is meer dan de vraag of de studenten wel tevreden zijn….. En nu ik toch bezig ben zou ik nog graag even teruggrijpen op mijn blogbericht op SURFspace waarin ik schreef dat je dan wel een wat langduriger koers moet inzetten en je niet na een jaar weer van die koers moet laten verdrijven, dat geld zeker bij dit soort onderzoeken. Dus als we “ja” zeggen dan graag ook voor een tiental jaar?
Doen, lijkt me.
maandag 20 juni 2011
Op naar het volgende innovatieve jaar!
Ellen Kuipers
Zo aan het eind van het studiejaar is het tijd om eens even terugblikken op het academisch jaar 2010-2011 en laat ik dan inzoomen op innovatie. Eens even zien:
Innovatief aanbesteden
Het gunnen op basis van prijs en kwaliteitsaspecten -EMVI strategie: Economisch Meest Voordelige Inschrijving- wordt bestempeld als innovatief. Het is de strategie die we afgelopen jaar bij de HAN hebben gebruikt tijdens de aanbesteding van een nieuw SIS. Een prima onderwerp, echter het aanbestedingstraject bij de HAN is nog niet helemaal achter de rug. Derhalve kan ik op dit moment hier nog niets over schrijven.
Innovatieregeling 2010 met ‘Talent’
Ik heb meegedaan aan de Innovatieregeling 2010 met een prachtig platform: Talent. Samen met een collega is een aantal jaar geleden het idee voor het platform ontstaan. Mijn collega had een duidelijke visie op het leren van een vreemde taal en de rol van feedback in het leerproces. Ikzelf liep al heel lang rond met een idee over interactieve weblectures. Mijn visie op weblectures is niet de meest gangbare. Zo heb ik nooit echt de toegevoegde waarde ingezien van het opnemen en vervolgens uitleveren van een 90 minuten durend college. Volgens mij zijn studenten tijdens zelfstudie (JIT) juist eerder op zoek naar korte fragmenten waarin duidelijk een bepaald onderwerp wordt uitgelegd, om nog maar te zwijgen over het feit dat mensen zich zo’n 20 minuten erg goed kunnen concentreren, en daarna neemt het concentratievermogen af. Vandaar dat wij docenten 1 specifiek onderwerp laten uitleggen in een weblecture van maximaal 16 minuten. Erg leuk overigens om op deze blog een bijdrage van Heino te lezen over VLA. Ik ben het er helemaal mee eens! Dit geluid hoor je de laatste tijd steeds meer, gelukkig. Uiteindelijk hebben we ongeveer 2 jaar geleden Wortell in de arm genomen om het platform te ontwikkelen. En zo is Talent ontstaan. Talent is een educational community dat nu bij de Faculteit Economie en Management wordt ingezet voor interactieve weblectures en video opdrachten. Studenten leren door middel van de feedback loop doordat zij elkaar feedback geven. Het uitgangspunt van de interactieve weblectures is dat studenten elkaars begrip van de leerstof kunnen verbeteren door interactieve bijdragen te leveren, door samen te werken, door kennis te delen en door cocreatie. In Talent kunnen studenten een uitleg (weblecture) bekijken en voorzien van extra informatie over het betreffende onderwerp en dit delen binnen Talent, studenten verrijken de weblecture. Zij kunnen bijdragen leveren in de vorm van een video, link, document, opmerking, uitleg, een tip geven, een vraag stellen of beantwoorden, enz. Door het interactieve element gaan studenten op een andere manier met de leerstof om, zij worden meer gestimuleerd om na te denken over de leerstof en zullen daardoor betere toetsresultaten behalen. Verder wordt Talent ingezet bij opdrachten waarbij studenten elkaar feedback geven. Studenten krijgen bijvoorbeeld een opdracht om hun communicatieve vaardigheden in een vreemde taal te oefenen. Een opdracht kan zijn dat studenten in een video in 2 minuten een foto van een familielid moeten beschrijven waarbij ze bepaalde grammaticale constructies en/of vocabulaire moeten gebruiken. Deze korte video plaatsen de studenten in Talent, vervolgens geven zij elkaar feedback op hun leerprestatie (een klas wordt opgedeeld in kleinere subgroepjes van 4 studenten die elkaar feedback geven). Studenten verbeteren hun eigen taalvaardigheid en hun kennis van de vreemde taal door elkaar te helpen doordat zij elkaar waardevolle feedback geven. Het continue proces van beoordelen, verbeteren, het van elkaar leren is erg waardevol voor de student en diens leerproces.
In dezen wordt mijn enthousiasme lang niet altijd gedeeld. Daar is dan die natuurlijke weerstand weer. ‘Dan ga ik weblectures opnemen en vervolgens gaat dat ding mij vervangen en krijg ik minder uren’. Dan moet ik weer denken aan een uitspraak van Sugata Mitra: “If you can replace a lecturer by a computer, you should!” Ik snap die angst wel, maar het is niet reeël. Volgens mij geven mijn collega’s goed les, en zijn zij erg inspirerend, natuurlijk kunnen computers hen niet vervangen! Gelukkig zijn er ook collega’s die graag aan de slag gaan met dit soort innovaties, en zodoende krijgen we langzaam maar zeker steeds meer weblectures en steeds meer video opdrachten in Talent. Wat vinden de studenten ervan? Op dit moment heb ik een survey uitgezet, dus die resultaten moet ik je nog even schuldig blijven. Tot nu toe heb ik slechts 1 punt van kritiek gekregen van studenten: ‘waarom hebben niet alle vakken hun weblectures in Talent geplaatst?’
Meest innovatieve sessie SamSam2011
Eind april was SamSam2011. Daar won ik de prijs voor meest innovatieve sessie: een grote bos bloemen. Erg leuk om collega’s te kunnen inspireren!
OER: Open Educational Resources
Op Educause 2010 heb ik een sessie bijgewoond over dit thema. Erg boeiend, en vooral ook vernieuwend. Althans voor mij. SURF heeft in december de Special Interest Group Open Educational Resources opgericht (SIG OER). Ik ben lid geworden van het kernteam. Niet omdat we bij de HAN al bezig zijn met OER, maar wel omdat ik OER en kennisdeling rondom OER belangrijk vind. Op dit moment probeer ik collega’s vooral OER aware te maken. Een volgende stap richting OER is de Creative Commons licentie: docenten op HBO-instellingen zouden moeten kunnen publiceren onder een Creative Commons licentie ten behoeve van open onderwijs, kennisdeling. Op dit moment kan dat niet omdat hetgeen een HBO-docent produceert voor zijn werk, eigendom is van de instelling.
Het mooie aan OER is dat de lerende centraal wordt gesteld en dat kennis en onderwijs toegankelijk worden voor iedereen. In Nederland zijn we op dit moment nog niet zo heel ver op dit gebied. In de UK daarentegen leeft het onderwerp veel meer. JISC heeft de laatste jaren enorm veel geld geïnvesteerd in OER-projecten. Een aantal leden van het kernteam van de SIG OER is naar de OER11 conference in Manchester geweest. We hebben er mooie voorbeelden van OER gezien. Lees onze OpenEducationalResources blog en de OER11 Scoop.it.
Pilot met tablets Tablets, het valt op dat steeds meer mensen er een hebben. Ik vraag me dan af of het een gadget is, een hebbedingetje waarmee je laat zien dat je vooroploopt of dat het gewoon echt een superhandig apparaat is waar je heel veel mee kunt. Is het voor de show of is het ook gewoon handig?
Op school zitten studenten te werken op hun laptop, en lijken ze vergroeid te zijn met hun smartphone. Wellicht hebben al onze studenten over een jaar of 3 een tablet? Of niet?
Afgelopen semester heeft een vierdejaars student van de opleiding Management, Economie en Recht een onderzoek gedaan naar de mogelijkheden om tablets in het onderwijs te gebruiken. Is het een toegevoegde waarde in het onderwijs? Dient het de student, de docent, de colleges? Of dient het eigenlijk nergens toe, is het alleen maar een leuk hebbedingetje? Of kan het zo zijn dat tablets maken dat we straks geen papier meer nodig hebben?
In totaal hebben 18 personen deelgenomen aan de pilot. Dit waren zowel docenten als studenten. De tablets uit deze pilot zijn:
1. het 10 inch scherm wordt als fijner ervaren dan het 7 inch scherm
2. twee belangrijke voorwaarden zijn:
a. een goede aanraakgevoeligheid
b. de helderheid van het scherm
3. het besturingssysteem van iPad of Galaxy Tab hebben beiden hun voor- en nadelen, een specifieke
voorkeur (zoals bijvoorbeeld bij de grootte van het scherm) lijkt niet aanwezig te zijn: er is in dezen
sprake van een persoonlijke voorkeur
4. digitale readers worden als zeer positief ervaren, er is wel een aantal kleine kanttekeningen:
a. geen mogelijkheid tot aantekeningen maken (dit lijkt opgelost te zijn bij nieuwe tablet versies)
b. pdf versies zijn ‘zwaar’ voor de tablet
Een mooi voorbeeld van de toepassing van tablets in het onderwijs zag ik op de OER11 conference in Manchester tijdens een presentatie van iTunesU. Een nieuwe opkomende trend wat wellicht de toekomst is zijn de zogenaamde interactive e-books. Een prachtig voorbeeld daarvan is Our Choice van Al Gore. Zou het niet geweldig zijn als alle studieboeken zo interactief zouden worden aangeboden? Ik denk dat studenten dan minder zullen klagen over de hoeveelheid leeswerk, over de hoeveelheid boeken die ze soms moeten meesjouwen, over de kosten van die, en dat ze zich zullen focussen op de content.
Innovatie. Voor mij heeft dit woord een positieve lading. Het roept enthousiasme op bij me, ik krijg er energie van. Als veranderkundige heb ik natuurlijk ook gemerkt dat mijn enthousiasme voor innovatie lang niet altijd wordt gedeeld. Innovatie roept vaak een soort natuurlijke weerstand op bij mensen. Dat is nou eenmaal zo. Ik focus dan vooral op hetgeen dat al groeit, en geef het water.
En nu, zo vlak voor de zomervakantie, kijk ik met veel plezier terug op een collegejaar van kwalitatief goed HBO-onderwijs, innovatief aanbesteden, interessante congressen, OER, Talent, innovatie, weerstand en verandermanagement. Kortom het was een innovatief jaar! Op naar het volgende!
Zo aan het eind van het studiejaar is het tijd om eens even terugblikken op het academisch jaar 2010-2011 en laat ik dan inzoomen op innovatie. Eens even zien:
- innovatief aanbesteden
- innovatieregeling 2010 met ‘Talent’
- meest innovatieve sessie SamSam2011
- OER
- pilot met tablets
Innovatief aanbesteden
Het gunnen op basis van prijs en kwaliteitsaspecten -EMVI strategie: Economisch Meest Voordelige Inschrijving- wordt bestempeld als innovatief. Het is de strategie die we afgelopen jaar bij de HAN hebben gebruikt tijdens de aanbesteding van een nieuw SIS. Een prima onderwerp, echter het aanbestedingstraject bij de HAN is nog niet helemaal achter de rug. Derhalve kan ik op dit moment hier nog niets over schrijven.
Innovatieregeling 2010 met ‘Talent’
Ik heb meegedaan aan de Innovatieregeling 2010 met een prachtig platform: Talent. Samen met een collega is een aantal jaar geleden het idee voor het platform ontstaan. Mijn collega had een duidelijke visie op het leren van een vreemde taal en de rol van feedback in het leerproces. Ikzelf liep al heel lang rond met een idee over interactieve weblectures. Mijn visie op weblectures is niet de meest gangbare. Zo heb ik nooit echt de toegevoegde waarde ingezien van het opnemen en vervolgens uitleveren van een 90 minuten durend college. Volgens mij zijn studenten tijdens zelfstudie (JIT) juist eerder op zoek naar korte fragmenten waarin duidelijk een bepaald onderwerp wordt uitgelegd, om nog maar te zwijgen over het feit dat mensen zich zo’n 20 minuten erg goed kunnen concentreren, en daarna neemt het concentratievermogen af. Vandaar dat wij docenten 1 specifiek onderwerp laten uitleggen in een weblecture van maximaal 16 minuten. Erg leuk overigens om op deze blog een bijdrage van Heino te lezen over VLA. Ik ben het er helemaal mee eens! Dit geluid hoor je de laatste tijd steeds meer, gelukkig. Uiteindelijk hebben we ongeveer 2 jaar geleden Wortell in de arm genomen om het platform te ontwikkelen. En zo is Talent ontstaan. Talent is een educational community dat nu bij de Faculteit Economie en Management wordt ingezet voor interactieve weblectures en video opdrachten. Studenten leren door middel van de feedback loop doordat zij elkaar feedback geven. Het uitgangspunt van de interactieve weblectures is dat studenten elkaars begrip van de leerstof kunnen verbeteren door interactieve bijdragen te leveren, door samen te werken, door kennis te delen en door cocreatie. In Talent kunnen studenten een uitleg (weblecture) bekijken en voorzien van extra informatie over het betreffende onderwerp en dit delen binnen Talent, studenten verrijken de weblecture. Zij kunnen bijdragen leveren in de vorm van een video, link, document, opmerking, uitleg, een tip geven, een vraag stellen of beantwoorden, enz. Door het interactieve element gaan studenten op een andere manier met de leerstof om, zij worden meer gestimuleerd om na te denken over de leerstof en zullen daardoor betere toetsresultaten behalen. Verder wordt Talent ingezet bij opdrachten waarbij studenten elkaar feedback geven. Studenten krijgen bijvoorbeeld een opdracht om hun communicatieve vaardigheden in een vreemde taal te oefenen. Een opdracht kan zijn dat studenten in een video in 2 minuten een foto van een familielid moeten beschrijven waarbij ze bepaalde grammaticale constructies en/of vocabulaire moeten gebruiken. Deze korte video plaatsen de studenten in Talent, vervolgens geven zij elkaar feedback op hun leerprestatie (een klas wordt opgedeeld in kleinere subgroepjes van 4 studenten die elkaar feedback geven). Studenten verbeteren hun eigen taalvaardigheid en hun kennis van de vreemde taal door elkaar te helpen doordat zij elkaar waardevolle feedback geven. Het continue proces van beoordelen, verbeteren, het van elkaar leren is erg waardevol voor de student en diens leerproces.
In dezen wordt mijn enthousiasme lang niet altijd gedeeld. Daar is dan die natuurlijke weerstand weer. ‘Dan ga ik weblectures opnemen en vervolgens gaat dat ding mij vervangen en krijg ik minder uren’. Dan moet ik weer denken aan een uitspraak van Sugata Mitra: “If you can replace a lecturer by a computer, you should!” Ik snap die angst wel, maar het is niet reeël. Volgens mij geven mijn collega’s goed les, en zijn zij erg inspirerend, natuurlijk kunnen computers hen niet vervangen! Gelukkig zijn er ook collega’s die graag aan de slag gaan met dit soort innovaties, en zodoende krijgen we langzaam maar zeker steeds meer weblectures en steeds meer video opdrachten in Talent. Wat vinden de studenten ervan? Op dit moment heb ik een survey uitgezet, dus die resultaten moet ik je nog even schuldig blijven. Tot nu toe heb ik slechts 1 punt van kritiek gekregen van studenten: ‘waarom hebben niet alle vakken hun weblectures in Talent geplaatst?’
Meest innovatieve sessie SamSam2011
Eind april was SamSam2011. Daar won ik de prijs voor meest innovatieve sessie: een grote bos bloemen. Erg leuk om collega’s te kunnen inspireren!
OER: Open Educational Resources
Op Educause 2010 heb ik een sessie bijgewoond over dit thema. Erg boeiend, en vooral ook vernieuwend. Althans voor mij. SURF heeft in december de Special Interest Group Open Educational Resources opgericht (SIG OER). Ik ben lid geworden van het kernteam. Niet omdat we bij de HAN al bezig zijn met OER, maar wel omdat ik OER en kennisdeling rondom OER belangrijk vind. Op dit moment probeer ik collega’s vooral OER aware te maken. Een volgende stap richting OER is de Creative Commons licentie: docenten op HBO-instellingen zouden moeten kunnen publiceren onder een Creative Commons licentie ten behoeve van open onderwijs, kennisdeling. Op dit moment kan dat niet omdat hetgeen een HBO-docent produceert voor zijn werk, eigendom is van de instelling.
Het mooie aan OER is dat de lerende centraal wordt gesteld en dat kennis en onderwijs toegankelijk worden voor iedereen. In Nederland zijn we op dit moment nog niet zo heel ver op dit gebied. In de UK daarentegen leeft het onderwerp veel meer. JISC heeft de laatste jaren enorm veel geld geïnvesteerd in OER-projecten. Een aantal leden van het kernteam van de SIG OER is naar de OER11 conference in Manchester geweest. We hebben er mooie voorbeelden van OER gezien. Lees onze OpenEducationalResources blog en de OER11 Scoop.it.
Pilot met tablets Tablets, het valt op dat steeds meer mensen er een hebben. Ik vraag me dan af of het een gadget is, een hebbedingetje waarmee je laat zien dat je vooroploopt of dat het gewoon echt een superhandig apparaat is waar je heel veel mee kunt. Is het voor de show of is het ook gewoon handig?
Op school zitten studenten te werken op hun laptop, en lijken ze vergroeid te zijn met hun smartphone. Wellicht hebben al onze studenten over een jaar of 3 een tablet? Of niet?
Afgelopen semester heeft een vierdejaars student van de opleiding Management, Economie en Recht een onderzoek gedaan naar de mogelijkheden om tablets in het onderwijs te gebruiken. Is het een toegevoegde waarde in het onderwijs? Dient het de student, de docent, de colleges? Of dient het eigenlijk nergens toe, is het alleen maar een leuk hebbedingetje? Of kan het zo zijn dat tablets maken dat we straks geen papier meer nodig hebben?
In totaal hebben 18 personen deelgenomen aan de pilot. Dit waren zowel docenten als studenten. De tablets uit deze pilot zijn:
- Samsung Galaxy Tab;
- iPad;
- WeTab;
- ViewSonic;
- Dell DUO;
1. het 10 inch scherm wordt als fijner ervaren dan het 7 inch scherm
2. twee belangrijke voorwaarden zijn:
a. een goede aanraakgevoeligheid
b. de helderheid van het scherm
3. het besturingssysteem van iPad of Galaxy Tab hebben beiden hun voor- en nadelen, een specifieke
voorkeur (zoals bijvoorbeeld bij de grootte van het scherm) lijkt niet aanwezig te zijn: er is in dezen
sprake van een persoonlijke voorkeur
4. digitale readers worden als zeer positief ervaren, er is wel een aantal kleine kanttekeningen:
a. geen mogelijkheid tot aantekeningen maken (dit lijkt opgelost te zijn bij nieuwe tablet versies)
b. pdf versies zijn ‘zwaar’ voor de tablet
Een mooi voorbeeld van de toepassing van tablets in het onderwijs zag ik op de OER11 conference in Manchester tijdens een presentatie van iTunesU. Een nieuwe opkomende trend wat wellicht de toekomst is zijn de zogenaamde interactive e-books. Een prachtig voorbeeld daarvan is Our Choice van Al Gore. Zou het niet geweldig zijn als alle studieboeken zo interactief zouden worden aangeboden? Ik denk dat studenten dan minder zullen klagen over de hoeveelheid leeswerk, over de hoeveelheid boeken die ze soms moeten meesjouwen, over de kosten van die, en dat ze zich zullen focussen op de content.
Innovatie. Voor mij heeft dit woord een positieve lading. Het roept enthousiasme op bij me, ik krijg er energie van. Als veranderkundige heb ik natuurlijk ook gemerkt dat mijn enthousiasme voor innovatie lang niet altijd wordt gedeeld. Innovatie roept vaak een soort natuurlijke weerstand op bij mensen. Dat is nou eenmaal zo. Ik focus dan vooral op hetgeen dat al groeit, en geef het water.
En nu, zo vlak voor de zomervakantie, kijk ik met veel plezier terug op een collegejaar van kwalitatief goed HBO-onderwijs, innovatief aanbesteden, interessante congressen, OER, Talent, innovatie, weerstand en verandermanagement. Kortom het was een innovatief jaar! Op naar het volgende!
dinsdag 14 juni 2011
Moord door serious gaming?
Jeffrey Janssen
Maak hem af! Schiet ze neer! Owned him! Sniper op 3! Ik heb artillery nodig!
Zomaar wat termen als je een willekeurige ruimte inloopt waar onze belangrijkste doelgroep een spelend samenzijn met behulp van computers heeft georganiseerd. Deze puberende LAN-party-gangers zijn alleen maar bezig met dood en verderf. Gelukkig nog wel virtueel, alhoewel een enkeling de grens naar de realiteit in zijn enthousiasme niet meer zo helder voor ogen heeft en de media weer bol staan met de verderfelijkheid van de direct te verbieden games.
Het gekke is dat die jongeren die de grens niet altijd even helder zien, én die ook niet doorslaan naar de toepassing in de realiteit, nou juist een belangrijk aandeel vormt van de aanmeldingen voor een opleiding tot officier of onderofficier bij de Nederlandse krijgsmacht.
Het duidelijkste en internationaal meest aansprekende voorbeeld hiervan is wel het spel America’s Army, dat door de Amerikaanse krijgsmacht is ontwikkeld. Dat is inmiddels verworden tot het meest succesvolle wervingsinstrument voor de aanwas van nieuwe recruten. Het spel wordt gratis aangeboden via Internet en wordt mede daardoor veelvuldig gespeeld. De uitblinkers in het spel worden door de krijgsmacht uitgenodigd voor een werving en selectie gesprek. En als je behoort tot de beste van het virtuele elitecorps, dan zorgt je grootheidswaanzin er wel voor dat je je dat ook wilt voelen (en ook bent natuurlijk!) in real life… Aldus… weer een nieuwe recruut. Missie voltooid!
Het kost vervolgens wel even wat tijd om de ‘geromantiseerde’ virtuele wereld uit hun systemen te krijgen, er echte soldaten van te maken en hen de juiste gevechtsdoctrines mee te geven. Maar uiteindelijk bewijzen ze zich aan het front en dragen mede zorg voor het veilige en vrije gevoel van hele bevolkingsgroepen. Klinkt allemaal aardig, maar waar gaat het dan mis hoor ik u denken…
Op het moment dat de eerste militaire basisvaardigheden achter de rug zijn staan we en masse te zwaaien met allerlei technologische ontwikkelingen binnen het onderwijs. Waarom? Omdat we met zijn allen willen hypen. We willen rennen, vliegen, duiken, vallen, opstaan en weer doorgaan, om maar eens met de woorden van een bekende Nederlandse kinderrechtenactivist te spreken. Stilstand is achteruitgang. Alhoewel… we zij de laatste jaren in ons vakgebied volgens mij heel hard bezig ons te ‘verhypen’ (vergelijk: slikken en verslikken), getuige de dalende economische waarde van ons onderwijs. Maar dat terzijde. Terug naar waar het mis ging. De hogere onderwijseconomie laat ik graag over aan een volgende blogger. I dare you!
We trakteren de pas gemilitariseerde jongeren op iets waarvan de meeste al jaren fervent aanhanger zijn: een game! Maar dan onder de voorwaarde dat ze eerst luisteren hoe we willen dat ze het spel spelen. En daarmee is de game serious geworden. In ieder geval in de optiek van de enthousiaste docent, want de game was al een tijdje hele serious shit in de wereld van de spijkerbroeken.
Dat brengt mij op de kern van mijn betoog: het negatief leereffect van het gebruik van (commerciële) games als serious games in het militair (hoger) onderwijs.
De vraag is namelijk of je een missie gewonnen hebt als je alle gegijzelden hebt bevrijd.
De makkelijkste manier is zoveel mogelijk soldaten op een huis af laten rennen en uiteindelijk blijven er wel een paar over die voor de bevrijding kunnen zorgen. Dat we en passant 80% van onze collega’s kwijt zijn geraakt in de strijd, mag de pret niet drukken. Missie geslaagd!
Daarbij is er geen game, hoe serious die ook bedoeld is, die de emoties kan benaderen van een soldaat die zijn gewonde maatje in veiligheid moet brengen waarbij de kogels hem om de oren vliegen. De angst en de overlevingsdrang laten zich nu eenmaal niet vatten in een spel, hoe realistisch deze soms ook zijn opgezet.
Nu zou men kunnen denken dat ik tegen het gebruik van serious games ben, maar het tegendeel is waar. Alle doctrines binnen de meeste vakgebieden kunnen wat mij betreft niet beter aangeleerd worden op een manier die de meeste jongeren aanspreekt, waardoor de intrinsieke motivatie om te leren gestimuleerd wordt. We moeten er alleen voor waken dat de grens tussen de realiteit en de virtuele wereld niet te zeer vervaagd. De feedback en de reflectie op het geleerde moeten zeer nadrukkelijk onderdeel van het curriculum zijn bij het gebruik van serious games als leermiddel.
Maak hem af! Schiet ze neer! Owned him! Sniper op 3! Ik heb artillery nodig!
Zomaar wat termen als je een willekeurige ruimte inloopt waar onze belangrijkste doelgroep een spelend samenzijn met behulp van computers heeft georganiseerd. Deze puberende LAN-party-gangers zijn alleen maar bezig met dood en verderf. Gelukkig nog wel virtueel, alhoewel een enkeling de grens naar de realiteit in zijn enthousiasme niet meer zo helder voor ogen heeft en de media weer bol staan met de verderfelijkheid van de direct te verbieden games.
Het gekke is dat die jongeren die de grens niet altijd even helder zien, én die ook niet doorslaan naar de toepassing in de realiteit, nou juist een belangrijk aandeel vormt van de aanmeldingen voor een opleiding tot officier of onderofficier bij de Nederlandse krijgsmacht.
Het duidelijkste en internationaal meest aansprekende voorbeeld hiervan is wel het spel America’s Army, dat door de Amerikaanse krijgsmacht is ontwikkeld. Dat is inmiddels verworden tot het meest succesvolle wervingsinstrument voor de aanwas van nieuwe recruten. Het spel wordt gratis aangeboden via Internet en wordt mede daardoor veelvuldig gespeeld. De uitblinkers in het spel worden door de krijgsmacht uitgenodigd voor een werving en selectie gesprek. En als je behoort tot de beste van het virtuele elitecorps, dan zorgt je grootheidswaanzin er wel voor dat je je dat ook wilt voelen (en ook bent natuurlijk!) in real life… Aldus… weer een nieuwe recruut. Missie voltooid!
Het kost vervolgens wel even wat tijd om de ‘geromantiseerde’ virtuele wereld uit hun systemen te krijgen, er echte soldaten van te maken en hen de juiste gevechtsdoctrines mee te geven. Maar uiteindelijk bewijzen ze zich aan het front en dragen mede zorg voor het veilige en vrije gevoel van hele bevolkingsgroepen. Klinkt allemaal aardig, maar waar gaat het dan mis hoor ik u denken…
Op het moment dat de eerste militaire basisvaardigheden achter de rug zijn staan we en masse te zwaaien met allerlei technologische ontwikkelingen binnen het onderwijs. Waarom? Omdat we met zijn allen willen hypen. We willen rennen, vliegen, duiken, vallen, opstaan en weer doorgaan, om maar eens met de woorden van een bekende Nederlandse kinderrechtenactivist te spreken. Stilstand is achteruitgang. Alhoewel… we zij de laatste jaren in ons vakgebied volgens mij heel hard bezig ons te ‘verhypen’ (vergelijk: slikken en verslikken), getuige de dalende economische waarde van ons onderwijs. Maar dat terzijde. Terug naar waar het mis ging. De hogere onderwijseconomie laat ik graag over aan een volgende blogger. I dare you!
We trakteren de pas gemilitariseerde jongeren op iets waarvan de meeste al jaren fervent aanhanger zijn: een game! Maar dan onder de voorwaarde dat ze eerst luisteren hoe we willen dat ze het spel spelen. En daarmee is de game serious geworden. In ieder geval in de optiek van de enthousiaste docent, want de game was al een tijdje hele serious shit in de wereld van de spijkerbroeken.
Dat brengt mij op de kern van mijn betoog: het negatief leereffect van het gebruik van (commerciële) games als serious games in het militair (hoger) onderwijs.
De vraag is namelijk of je een missie gewonnen hebt als je alle gegijzelden hebt bevrijd.
De makkelijkste manier is zoveel mogelijk soldaten op een huis af laten rennen en uiteindelijk blijven er wel een paar over die voor de bevrijding kunnen zorgen. Dat we en passant 80% van onze collega’s kwijt zijn geraakt in de strijd, mag de pret niet drukken. Missie geslaagd!
Daarbij is er geen game, hoe serious die ook bedoeld is, die de emoties kan benaderen van een soldaat die zijn gewonde maatje in veiligheid moet brengen waarbij de kogels hem om de oren vliegen. De angst en de overlevingsdrang laten zich nu eenmaal niet vatten in een spel, hoe realistisch deze soms ook zijn opgezet.
Nu zou men kunnen denken dat ik tegen het gebruik van serious games ben, maar het tegendeel is waar. Alle doctrines binnen de meeste vakgebieden kunnen wat mij betreft niet beter aangeleerd worden op een manier die de meeste jongeren aanspreekt, waardoor de intrinsieke motivatie om te leren gestimuleerd wordt. We moeten er alleen voor waken dat de grens tussen de realiteit en de virtuele wereld niet te zeer vervaagd. De feedback en de reflectie op het geleerde moeten zeer nadrukkelijk onderdeel van het curriculum zijn bij het gebruik van serious games als leermiddel.
woensdag 8 juni 2011
Sloop de Chinese Muur
tussen leren en werken van docenten!
De belangrijkste succesfactor bij onderwijsinnovatie is de docent. Wil je leren op een andere manier, en met ICT, vorm geven dan zul je medewerkers daartoe in staat moeten stellen. Door faciliteiten ter beschikking te stellen, en vooral door te investeren in het vergroten van hun expertise.
De wijze waarop wij deskundigheidsbevordering vorm geven, helpt daar echter meestal niet bij. Want hoe werkt professionalisering in de praktijk?
Met andere woorden: wij organiseren docentprofessionalisering als een gebeurtenis, en niet als een proces. Wij trekken een Chinese Muur op tussen het dagelijkse werk en deskundigheidsbevordering. En wij maken als ‘leerprofessionals’ volstrekt onvoldoende gebruik van wat wij weten van leren.
Heel veel van wat er geleerd wordt, wordt immers dankzij meer informele vormen van leren geleerd. Van reflectieve gesprekken met collega’s op de werkvloer, van coaching door ervaren collega’s of van het just-in-time raadplegen en verwerken van informatie (dus als je het nodig hebt, en niet ‘voor het geval dat’). En natuurlijk door dingen uit te proberen, en daar feedback op te krijgen.
In ben dan ook een hartstochtelijk voorstander van integratie van onderwijsontwikkeling en professionalisering. Je leert m.i. bijvoorbeeld het beste ICT in het onderwijs te integreren als je modellen, concepten, en voorbeelden meteen kunt inzetten in je werk. En als je daarover de dialoog kunt voeren met collega’s en experts.
Het gaat er om krachtige leeromgevingen te creëren waarin opleidingen, cursussen, trainingen worden versterkt met meer informele leeractiviteiten. Ik ben zeker niet tegen ‘formeel leren’, zoals trainingen, conferenties en workshops (wel tegen het zonder gericht doel educatieve beurzen afstruinen). Formele leeractiviteiten moeten alleen niet op zich staan. Sloop dus die muur tussen werken en leren van docenten. En zet uiteraard ICT hierbij op een slimme manier in. Want wat kun je veel leren van bloggen, YouTube, TedX en zeker ook Twitter.
Wilfred Rubens werkt als projectleider en e-learningadviseur bij de Open Universiteit.
De belangrijkste succesfactor bij onderwijsinnovatie is de docent. Wil je leren op een andere manier, en met ICT, vorm geven dan zul je medewerkers daartoe in staat moeten stellen. Door faciliteiten ter beschikking te stellen, en vooral door te investeren in het vergroten van hun expertise.
De wijze waarop wij deskundigheidsbevordering vorm geven, helpt daar echter meestal niet bij. Want hoe werkt professionalisering in de praktijk?
- Docenten trekken massaal naar de Jaarbeurs. Lopen rond. Vergapen zich aan de nieuwste tools. Vullen een tas met gadgets, en keren weer naar huis. “Hoe was het gisteren op de NOT?”, vraagt dan de manager. “Interessant, maar wel vaak ‘een ver van mijn bed’-show”, luidt de reactie de dag erna. Einde leermoment. Bij een gemiddelde salarislast van -schat ik- 500 euro per dag, verkwisten we op die manier al snel zo’n 15 miljoen euro per jaar.
- School X gaat over tot de aanschaf van laptops. Ze organiseren een verplichte workshop, die 20% van de docenten benut om te klagen over de infrastructuur en het management, en gaan over tot de orde van de dag.
- Docenten bezoeken een studiedag van een uitgever of consortium. Vallen een uur te laat binnen, en gaan een uur eerder weg. De zeldzaam twitterende docent tweet niet wat hij geleerd heeft, maar naar welke sessie hij gaat.
- Docenten ontvangen hiervoor wel een certificaat, plus een cd rom met powerpoint-presentaties. Die leggen ze in de docentenkamer, en noemen dat kennis delen.
Met andere woorden: wij organiseren docentprofessionalisering als een gebeurtenis, en niet als een proces. Wij trekken een Chinese Muur op tussen het dagelijkse werk en deskundigheidsbevordering. En wij maken als ‘leerprofessionals’ volstrekt onvoldoende gebruik van wat wij weten van leren.
Heel veel van wat er geleerd wordt, wordt immers dankzij meer informele vormen van leren geleerd. Van reflectieve gesprekken met collega’s op de werkvloer, van coaching door ervaren collega’s of van het just-in-time raadplegen en verwerken van informatie (dus als je het nodig hebt, en niet ‘voor het geval dat’). En natuurlijk door dingen uit te proberen, en daar feedback op te krijgen.
In ben dan ook een hartstochtelijk voorstander van integratie van onderwijsontwikkeling en professionalisering. Je leert m.i. bijvoorbeeld het beste ICT in het onderwijs te integreren als je modellen, concepten, en voorbeelden meteen kunt inzetten in je werk. En als je daarover de dialoog kunt voeren met collega’s en experts.
Het gaat er om krachtige leeromgevingen te creëren waarin opleidingen, cursussen, trainingen worden versterkt met meer informele leeractiviteiten. Ik ben zeker niet tegen ‘formeel leren’, zoals trainingen, conferenties en workshops (wel tegen het zonder gericht doel educatieve beurzen afstruinen). Formele leeractiviteiten moeten alleen niet op zich staan. Sloop dus die muur tussen werken en leren van docenten. En zet uiteraard ICT hierbij op een slimme manier in. Want wat kun je veel leren van bloggen, YouTube, TedX en zeker ook Twitter.
Wilfred Rubens werkt als projectleider en e-learningadviseur bij de Open Universiteit.
maandag 6 juni 2011
Weblectures? Nee, VLA!
We hadden vorige week nuttige discussies over de inzet van video in het onderwijs in ons ICTO team.Ik heb dat wat ruw uitgewerkt en ben natuurlijk erg benieuwd naar aanvullingen, aanscherpingen enzovoort. Overigens het maken van VLA moet elke docent kunnen, het is gewoon een vorm van lesvoorbereiding. Daar waar mogelijk kunnen met name bibliothecaressen bij de verrijking een mooie rol spelen!
Wat te doen met weblectures van 45, 90 minuten of zelfs langer? We weten toch dat jong volwassenen een spanningsboog van zeg 12 minuten maximaal hebben? Studenten spelen de weblectures gewoon met dubbele afspeelsnelheid af. Dan kost het minder tijd. Zouden dan op de lerarenopleiding de docenten niet moeten leren twee keer zo snel te spreken? Dan kunnen we de lestijd halveren…… Studenten zoeken in de weblecture die stukken op waar ze moeite mee hebben of het niet zo goed snappen. Een beetje ervaren docent weet al voor zijn les wat die momenten zijn, waarom dan verstoppen in een lange les? Van didactici mogen we helemaal geen monologen langer dan 12 minuten houden. Dat heeft geen zin, geen concentratie, je staat voor Jan Doedel te praten. Als dat niet mag kunnen weblectures niet langer zijn dan 12 minuten en moeten ze gaan over die zaken waarvan we al lang weten dat die de essentie zijn. VLA!
Video leer accent, to the point uitleg of instructie van een onderwerp. Niets "taggen" in een weblecture. Gewoon het ACCENT leggen met een VLA:
Ik heb ooit wel eens begrepen dat het dan leerobjecten zijn. Dat vind ik prima. Ik denk dan bijvoorbeeld aan:
Nu hoor ik u al roepen, maar met alleen bouwstenen kun je geen huis bouwen. Daar kan ik me wel in vinden. Dus we gaan de VLA’s inbedden met allerlei verrijkende achter- of zoals u wilt voorgronden. Dat kan prima in een ELO of andere omgeving. Ik denk dan aan:
En wat doet de docent? Die vertelt prachtige voorbeelden, zet het in de context, begeleidt, vraagt en verwondert. Verwijst dan eens naar de digitale leeromgeving, dan eens naar een VLA en zet zijn lessen, colleges weer volgens strakke of minder strakke didactisch verantwoorde structuren in elkaar. Iets als het verloop van de les/college in zeven stappen, die ik las op de site van onderwijs van morgen:
1. De docent geeft leerdoelen aan
De docent legitimeert de gevraagde inspanning. Hij bevraagt ook leerlingen om de zin van het leerdoel uit te leggen. Gevolg: meer motivatie bij de leerlingen.
2. De docent activeert voorkennis
Wat weten we al? Wat hebben we de vorige les geleerd? Op deze manier komt de nieuwe stof in de zone van naaste ontwikkeling (theorie van Vygotsky).
3. De docent geeft een korte instructie (circa 10 minuten)
De attentieboog is op deze leeftijd niet veel langer dan 12 minuten. Te lange instructie gaat verloren door verlies aan aandacht.
4. De leerlingen maken hun huiswerktaken in de klas (circa 20 minuten)
De leerlingen mogen samenwerken. Omdat ze weten dat ze dan van hun huiswerk af zijn, wordt er stevig doorgeweerkt. De leraar loopt (coachend) door de klas.
5. Wat hebben we geleerd? Evaluatie
De docent vraagt leerlingen aan te geven wat ze van de lesstof begrepen hebben. Hij vat de lesstof nogmaals kort samen.
6. Reflectie
Wat hebben we geleerd van het leerproces? Hoe kunnen we daar in de toekomst ons voordeel mee doen? Drie leerlingen vertellen dit voor de klas.
7. Toetsen
Check of de leerling het heeft begrepen (of ook wel of de docent het heeft weten over te brengen……).
Wil je trouwens nog wat goede en minder goede voorbeelden zien van videogebruik?
Kijk dan eens op de blog van Gerard Dummer: http://www.gerarddummer.nl/blog/tag/weblecture
Heb je zelf al eens een weblecture van meer dan 45 minuten gevolgd op je PC, laptop, iPad? Moet je eens doen........ Dan smaakt VLA denk ik nog lekkerder.
Wat te doen met weblectures van 45, 90 minuten of zelfs langer? We weten toch dat jong volwassenen een spanningsboog van zeg 12 minuten maximaal hebben? Studenten spelen de weblectures gewoon met dubbele afspeelsnelheid af. Dan kost het minder tijd. Zouden dan op de lerarenopleiding de docenten niet moeten leren twee keer zo snel te spreken? Dan kunnen we de lestijd halveren…… Studenten zoeken in de weblecture die stukken op waar ze moeite mee hebben of het niet zo goed snappen. Een beetje ervaren docent weet al voor zijn les wat die momenten zijn, waarom dan verstoppen in een lange les? Van didactici mogen we helemaal geen monologen langer dan 12 minuten houden. Dat heeft geen zin, geen concentratie, je staat voor Jan Doedel te praten. Als dat niet mag kunnen weblectures niet langer zijn dan 12 minuten en moeten ze gaan over die zaken waarvan we al lang weten dat die de essentie zijn. VLA!
Video leer accent, to the point uitleg of instructie van een onderwerp. Niets "taggen" in een weblecture. Gewoon het ACCENT leggen met een VLA:
Ik heb ooit wel eens begrepen dat het dan leerobjecten zijn. Dat vind ik prima. Ik denk dan bijvoorbeeld aan:
Nu hoor ik u al roepen, maar met alleen bouwstenen kun je geen huis bouwen. Daar kan ik me wel in vinden. Dus we gaan de VLA’s inbedden met allerlei verrijkende achter- of zoals u wilt voorgronden. Dat kan prima in een ELO of andere omgeving. Ik denk dan aan:
En wat doet de docent? Die vertelt prachtige voorbeelden, zet het in de context, begeleidt, vraagt en verwondert. Verwijst dan eens naar de digitale leeromgeving, dan eens naar een VLA en zet zijn lessen, colleges weer volgens strakke of minder strakke didactisch verantwoorde structuren in elkaar. Iets als het verloop van de les/college in zeven stappen, die ik las op de site van onderwijs van morgen:
1. De docent geeft leerdoelen aan
De docent legitimeert de gevraagde inspanning. Hij bevraagt ook leerlingen om de zin van het leerdoel uit te leggen. Gevolg: meer motivatie bij de leerlingen.
2. De docent activeert voorkennis
Wat weten we al? Wat hebben we de vorige les geleerd? Op deze manier komt de nieuwe stof in de zone van naaste ontwikkeling (theorie van Vygotsky).
3. De docent geeft een korte instructie (circa 10 minuten)
De attentieboog is op deze leeftijd niet veel langer dan 12 minuten. Te lange instructie gaat verloren door verlies aan aandacht.
4. De leerlingen maken hun huiswerktaken in de klas (circa 20 minuten)
De leerlingen mogen samenwerken. Omdat ze weten dat ze dan van hun huiswerk af zijn, wordt er stevig doorgeweerkt. De leraar loopt (coachend) door de klas.
5. Wat hebben we geleerd? Evaluatie
De docent vraagt leerlingen aan te geven wat ze van de lesstof begrepen hebben. Hij vat de lesstof nogmaals kort samen.
6. Reflectie
Wat hebben we geleerd van het leerproces? Hoe kunnen we daar in de toekomst ons voordeel mee doen? Drie leerlingen vertellen dit voor de klas.
7. Toetsen
Check of de leerling het heeft begrepen (of ook wel of de docent het heeft weten over te brengen……).
Wil je trouwens nog wat goede en minder goede voorbeelden zien van videogebruik?
Kijk dan eens op de blog van Gerard Dummer: http://www.gerarddummer.nl/blog/tag/weblecture
Heb je zelf al eens een weblecture van meer dan 45 minuten gevolgd op je PC, laptop, iPad? Moet je eens doen........ Dan smaakt VLA denk ik nog lekkerder.
maandag 30 mei 2011
Meer met minder!
Michiel van Geloven
De ICTO-afdelingen bij veel instellingen voor hoger onderwijs worden (vaak ingegeven door bezuinigingen) verkleind en soms volledig gedecentraliseerd. In hun bloeitijd werden allerlei mooie, interessante en veelbelovende ontwikkelingen gevolgd en bijbehorende tools aangeschaft. Nu moeten de instellingen, meer dan ooit lijkt het, de broekriem aanhalen. Zouden al die mooie tools van de ICTO-afdeling nog in gebruik zijn, en is er nog altijd behoefte aan? Hoe kom je daar achter, anders dan door naar de logfiles te kijken (als die er zijn)? Het antwoord lijkt simpel: vraag de studenten!
Studentenpanels
Een jaar of twee geleden was ik in de gelegenheid om, samen met een collega, met een aantal studentenpanels te praten over hun ervaringen met ICT in het onderwijs. Dit speelde zich af bij een grote hogeschool in het kader van een analyse van het totaal aan ICTO-voorzieningen. In zo’n vijf gesprekken kwamen we in totaal ruim 50 studenten tegen van allerlei opleidingen, van educatie tot techniek. Overigens hebben we in dat onderzoek ook gesproken met docenten, onderwijskundigen, ICT‘ers en andere actoren, maar daarover een andere keer.
Wat mij vooral is bijgebleven uit de gesprekken met studenten zijn drie punten:
Vorige week leidde ik een evaluatiegesprek met een groepje ICT-studenten, die dit voorjaar aan een nieuwe, duale opleiding zijn begonnen (nuancering: de opleiding zelf is niet nieuw, de duale variant wel). Deze groep studenten is bovengemiddeld bewust bezig met de opleiding en reflecteert actief op het eigen studiegedrag. Ze moeten wel, want de combinatie van (bijna) fulltime werken met een pittige hbo-opleiding dwingt tot efficiënt en effectief studeren.
Ook deze studenten komen al snel met het verzoek, of de opleiding ‘alles’ in Blackboard wil stoppen, want liever werken ze niet met verschillende omgevingen. Dus of we maar liever niet een aparte conferencing-omgeving willen aanbieden. En oja, graag een forum in Blackboard. Voor de goede orde: het gaat ook deze studenten niet speciaal om Blackboard, maar wel om de ‘one stop shop’.
Los van het gebruik van Blackboard en andere tools hebben sommige van deze studenten veel moeite met het vak wiskunde. Intussen hebben ze zelf online oefenprogramma’s gevonden. Snelle conclusie: voorzieningen die de hogeschool niet of beperkt aanbiedt, zoeken de studenten zelf op internet.
Stoppen is moeilijk!
Het hoger onderwijs heeft veel aan zijn hoofd deze dagen, je kunt de krant niet openslaan of iemand heeft wel weer een mening hoe de problemen (vooral van het HBO op dit moment) opgelost kunnen worden. Ik kan me voorstellen dat ICT, en in het bijzonder ICT in het onderwijs, daarbij vaak een lage prioriteit krijgt – daar hebben we de afgelopen twintig jaar al zo veel aan gedaan… Tegelijk denk ik, dat er op een aantal plekken vrij snel winst te behalen is door de ICTO-voorzieningen kritisch tegen het licht te houden Niet in de laatste plaats door ook aan de studenten te vragen, wat voor hen handig, belangrijk en interessant is. Daar zou zomaar uit kunnen komen dat sommige voorzieningen overbodig blijken te zijn, en dat de studenten zelf oplossingen vinden waar de instelling niet aan denkt.
Ja, ik weet het. Stoppen met systemen is moeilijk. Er zijn altijd professionals die overtuigend kunnen aantonen, dat ‘hun’ systeem essentieel is en onmogelijk kan worden beëindigd (graag gebruik ik zelf in dit licht eufemistische term ‘uitfaseren’). Het vraagt enige bestuurlijke moed om zo’n stap dan toch te zetten, maar ik ben ervan overtuigd dat de winst in veel gevallen groter is dan het verlies.
Michiel van Geloven, zelfstandig adviseur @ www.interimichiel.nl
De ICTO-afdelingen bij veel instellingen voor hoger onderwijs worden (vaak ingegeven door bezuinigingen) verkleind en soms volledig gedecentraliseerd. In hun bloeitijd werden allerlei mooie, interessante en veelbelovende ontwikkelingen gevolgd en bijbehorende tools aangeschaft. Nu moeten de instellingen, meer dan ooit lijkt het, de broekriem aanhalen. Zouden al die mooie tools van de ICTO-afdeling nog in gebruik zijn, en is er nog altijd behoefte aan? Hoe kom je daar achter, anders dan door naar de logfiles te kijken (als die er zijn)? Het antwoord lijkt simpel: vraag de studenten!
Studentenpanels
Een jaar of twee geleden was ik in de gelegenheid om, samen met een collega, met een aantal studentenpanels te praten over hun ervaringen met ICT in het onderwijs. Dit speelde zich af bij een grote hogeschool in het kader van een analyse van het totaal aan ICTO-voorzieningen. In zo’n vijf gesprekken kwamen we in totaal ruim 50 studenten tegen van allerlei opleidingen, van educatie tot techniek. Overigens hebben we in dat onderzoek ook gesproken met docenten, onderwijskundigen, ICT‘ers en andere actoren, maar daarover een andere keer.
Wat mij vooral is bijgebleven uit de gesprekken met studenten zijn drie punten:
- De studenten willen graag een training of introductieles in het gebruik van de ICTO-toepassingen, zeggen ze zelf. Maar, voegen ze er meteen aan toe, zo’n bijeenkomst moet dan wel verplicht zijn, anders komen we niet.
- Studenten willen erg graag ‘one stop shoppen’, dus liefst zo veel mogelijk informatie in één omgeving terugvinden. Welke omgeving dat is, maakt ze in principe niet uit. ‘Doe maar Blackboard, want daar zitten we toch elke dag in’.
- Als de instelling geen of onhandige voorzieningen aanbiedt, dan zoeken de studenten hun eigen oplossing wel, en blijft de ‘onhandige’ oplossing van de instelling ongebruikt.
Vorige week leidde ik een evaluatiegesprek met een groepje ICT-studenten, die dit voorjaar aan een nieuwe, duale opleiding zijn begonnen (nuancering: de opleiding zelf is niet nieuw, de duale variant wel). Deze groep studenten is bovengemiddeld bewust bezig met de opleiding en reflecteert actief op het eigen studiegedrag. Ze moeten wel, want de combinatie van (bijna) fulltime werken met een pittige hbo-opleiding dwingt tot efficiënt en effectief studeren.
Ook deze studenten komen al snel met het verzoek, of de opleiding ‘alles’ in Blackboard wil stoppen, want liever werken ze niet met verschillende omgevingen. Dus of we maar liever niet een aparte conferencing-omgeving willen aanbieden. En oja, graag een forum in Blackboard. Voor de goede orde: het gaat ook deze studenten niet speciaal om Blackboard, maar wel om de ‘one stop shop’.
Los van het gebruik van Blackboard en andere tools hebben sommige van deze studenten veel moeite met het vak wiskunde. Intussen hebben ze zelf online oefenprogramma’s gevonden. Snelle conclusie: voorzieningen die de hogeschool niet of beperkt aanbiedt, zoeken de studenten zelf op internet.
Stoppen is moeilijk!
Het hoger onderwijs heeft veel aan zijn hoofd deze dagen, je kunt de krant niet openslaan of iemand heeft wel weer een mening hoe de problemen (vooral van het HBO op dit moment) opgelost kunnen worden. Ik kan me voorstellen dat ICT, en in het bijzonder ICT in het onderwijs, daarbij vaak een lage prioriteit krijgt – daar hebben we de afgelopen twintig jaar al zo veel aan gedaan… Tegelijk denk ik, dat er op een aantal plekken vrij snel winst te behalen is door de ICTO-voorzieningen kritisch tegen het licht te houden Niet in de laatste plaats door ook aan de studenten te vragen, wat voor hen handig, belangrijk en interessant is. Daar zou zomaar uit kunnen komen dat sommige voorzieningen overbodig blijken te zijn, en dat de studenten zelf oplossingen vinden waar de instelling niet aan denkt.
Ja, ik weet het. Stoppen met systemen is moeilijk. Er zijn altijd professionals die overtuigend kunnen aantonen, dat ‘hun’ systeem essentieel is en onmogelijk kan worden beëindigd (graag gebruik ik zelf in dit licht eufemistische term ‘uitfaseren’). Het vraagt enige bestuurlijke moed om zo’n stap dan toch te zetten, maar ik ben ervan overtuigd dat de winst in veel gevallen groter is dan het verlies.
Michiel van Geloven, zelfstandig adviseur @ www.interimichiel.nl
woensdag 25 mei 2011
Gezakt voor het examen, maar geslaagd voor het leven
Fietsenkelderwijsheid
Fietsenhokken zijn vaak niet de meest leerzame omgeving van een hogeschool. Maar toch valt ook daar wat te leren. Wat te denken van de graffiti die ik laatst aantrof in de stalling van een Zwolse hogeschool:
Gezakt voor het examen, maar geslaagd voor het leven
Als het over digitale portfolio's gaat, spookt deze zin me nogal eens door het hoofd. Zo'n beetje elke Nederlandse Hogeschool laat studenten werken in een digitaal portfolio. Met zo'n dossier tonen studenten aan hoe de vlag er bij hangt als het gaat om de ontwikkeling van hun studie en hun loopbaan. Helaas, als de opleiding afgerond is, is vaak ook de navelstreng naar het digitale portfolio doorgeknipt. De kalkende student uit de eerste alinea zou zeggen: het DPF is geschikt voor het examen, maar niet voor het leven. Tijd voor een radicaal andere kijk op dit opleidingsinstrument.
Menig student wordt door zijn HBO opleiding verplicht om een digitaal portfolio te onderhouden. Voor dat doel heeft zo'n hogeschool een digitale omgeving ontwikkeld en ingericht waar studenten aan de slag kunnen. Het portfolio is meestal opgeknipt in 3 lagen. In de onderste laag is de student alleen of met medestudenten aan het werk met opdrachten. In de tweede afdeling legt die student dit werk voor aan docenten of medestudenten ter beoordeling, terwijl de derde afdeling bedoeld is als "showcase". Die laatste afdeling is de etalage waarmee de student de rest van de wereld laat zien hoe competent hij is.
Dat lijkt een nobel streven, maar er zit wel een adder onder het gras. Het is namelijk de hogeschool die deze omgeving aanbiedt, inricht en onderhoudt. Daarmee blijft de reikwijdte van het portfolio beperkt tot medestudenten, docenten en als de techniek en de veiligheidsmaatregelen het toelaten, een enkele stagebegeleider. Dat is voor de eerste twee van de drie genoemde lagen nog voor te stellen. Maar heeft een student zijn studie afgerond, dan is hij daarmee vaak ook het recht kwijt om zijn "showcase" te onderhouden. Sommige hogescholen helpen de inmiddels ex-student nog door een DVD-tje met zijn complete portfolio te bakken, maar meestal is de student na zijn opleiding teruggeworpen op zichzelf. Hij kan opnieuw aan de slag om zichzelf op internet te profileren. Voor afgestudeerden het moment waarop ze zich soms voor het eerst oriënteren op de mogelijkheden van social media als LinkedIn, Facebook en Twitter.
Wat mij betreft gaat het roer radicaal om en behoort anno 2010 Professionele presentie op het internet tot de basiscompetenties van iedere HBO student. Dat betekent dat ze vanaf dag 1 van de propedeuse een profiel aanmaken op LinkedIn en daar vanaf datzelfde moment aan de wijde wereld laten zien hoe ze zich ontwikkelen als professional. En wel door middel van verwijzingen naar de bewijsstukken die die ontwikkeling aantonen en de reacties vanuit hun netwerk er op.
Het gevolg is dat studenten nog bewuster zullen nadenken alvorens ze hun producten voor het forum van vakgenoten en relaties presenteren. Bovendien leren deze studenten om in real-life hun netwerk aan te boren voor relevante kennis en commentaar. Wat zou het mooi zijn als studenten via internet mentoren vinden die ze op die manier coachen bij hun ontwikkeling. Door bijvoorbeeld LinkedIn als basis voor een digitaal portfolio te gebruiken leren studenten meteen om resultaten te boeken voor het echte leven, in plaats van enkel voor een tentamencijfer.
Welke HBO docent/student/beleidsmaker zou dat nou niet willen? Welke opleiding werkt al op deze manier? Welke opleiding heeft Professionele presentie op het internet al tot basiscompetentie verheven en hoe wordt dit beoordeeld? Ik ben benieuwd!
Hans Havinga
http://nl.linkedin.com/in/hhavinga
Fietsenhokken zijn vaak niet de meest leerzame omgeving van een hogeschool. Maar toch valt ook daar wat te leren. Wat te denken van de graffiti die ik laatst aantrof in de stalling van een Zwolse hogeschool:
Gezakt voor het examen, maar geslaagd voor het leven
Als het over digitale portfolio's gaat, spookt deze zin me nogal eens door het hoofd. Zo'n beetje elke Nederlandse Hogeschool laat studenten werken in een digitaal portfolio. Met zo'n dossier tonen studenten aan hoe de vlag er bij hangt als het gaat om de ontwikkeling van hun studie en hun loopbaan. Helaas, als de opleiding afgerond is, is vaak ook de navelstreng naar het digitale portfolio doorgeknipt. De kalkende student uit de eerste alinea zou zeggen: het DPF is geschikt voor het examen, maar niet voor het leven. Tijd voor een radicaal andere kijk op dit opleidingsinstrument.
Menig student wordt door zijn HBO opleiding verplicht om een digitaal portfolio te onderhouden. Voor dat doel heeft zo'n hogeschool een digitale omgeving ontwikkeld en ingericht waar studenten aan de slag kunnen. Het portfolio is meestal opgeknipt in 3 lagen. In de onderste laag is de student alleen of met medestudenten aan het werk met opdrachten. In de tweede afdeling legt die student dit werk voor aan docenten of medestudenten ter beoordeling, terwijl de derde afdeling bedoeld is als "showcase". Die laatste afdeling is de etalage waarmee de student de rest van de wereld laat zien hoe competent hij is.
Dat lijkt een nobel streven, maar er zit wel een adder onder het gras. Het is namelijk de hogeschool die deze omgeving aanbiedt, inricht en onderhoudt. Daarmee blijft de reikwijdte van het portfolio beperkt tot medestudenten, docenten en als de techniek en de veiligheidsmaatregelen het toelaten, een enkele stagebegeleider. Dat is voor de eerste twee van de drie genoemde lagen nog voor te stellen. Maar heeft een student zijn studie afgerond, dan is hij daarmee vaak ook het recht kwijt om zijn "showcase" te onderhouden. Sommige hogescholen helpen de inmiddels ex-student nog door een DVD-tje met zijn complete portfolio te bakken, maar meestal is de student na zijn opleiding teruggeworpen op zichzelf. Hij kan opnieuw aan de slag om zichzelf op internet te profileren. Voor afgestudeerden het moment waarop ze zich soms voor het eerst oriënteren op de mogelijkheden van social media als LinkedIn, Facebook en Twitter.
Wat mij betreft gaat het roer radicaal om en behoort anno 2010 Professionele presentie op het internet tot de basiscompetenties van iedere HBO student. Dat betekent dat ze vanaf dag 1 van de propedeuse een profiel aanmaken op LinkedIn en daar vanaf datzelfde moment aan de wijde wereld laten zien hoe ze zich ontwikkelen als professional. En wel door middel van verwijzingen naar de bewijsstukken die die ontwikkeling aantonen en de reacties vanuit hun netwerk er op.
Het gevolg is dat studenten nog bewuster zullen nadenken alvorens ze hun producten voor het forum van vakgenoten en relaties presenteren. Bovendien leren deze studenten om in real-life hun netwerk aan te boren voor relevante kennis en commentaar. Wat zou het mooi zijn als studenten via internet mentoren vinden die ze op die manier coachen bij hun ontwikkeling. Door bijvoorbeeld LinkedIn als basis voor een digitaal portfolio te gebruiken leren studenten meteen om resultaten te boeken voor het echte leven, in plaats van enkel voor een tentamencijfer.
Welke HBO docent/student/beleidsmaker zou dat nou niet willen? Welke opleiding werkt al op deze manier? Welke opleiding heeft Professionele presentie op het internet al tot basiscompetentie verheven en hoe wordt dit beoordeeld? Ik ben benieuwd!
Hans Havinga
http://nl.linkedin.com/in/hhavinga
dinsdag 24 mei 2011
Kwaliteit, kwaliteit en kwaliteit
Ja, daar komen alle "deskundigen" weer aan het woord, hoogtij dagen voor BON. Terug naar lang geleden toen alles nog goed was. Wat ik zie, ook bij mijn eigen instelling, is dat er veel tegelijk loopt. Dat collega's graag de tijd krijgen voor goede implementaties. En die krijgen ze ook, kijk maar naar onderstaande opzet. Vooral de leergang didactiek in een digitale leeromgeving die we nu ontwikkelen heeft brede belangstelling.
Het mooie is dat die gewoon door docenten wordt ontwikkeld, die al langer ervaring hebben en een aanvulling is op de website en het boekwerk Digitale Didactiek van SURF. Nu even geen rare sprongen maken en de focus op diepe implementatie en kwaliteit blijven voortzetten, lijkt me. Ik schreef namens de collega's van de academies voor de planvorming 2012:
Er komen vele innovaties op de academies af. BISON (Bedrijfs Infromatie Systeem Onderwijs), CODA (Inkoopsysteem), Sagitta (urenregistratiesysteem), Blackboard (Electronische Leeromgeving), Saxion portal, Windows 7, Office 2010, to cloud or not te cloud. Voor de gebruiker maakt het niet uit in welk domein van de IT Governance dat belegd is, alles komt samen in zijn (werk)omgeving.
Uit de enquêtes van het programma ICT&O van 2010 werd al duidelijk dat er nu keuzes gemaakt worden voor goede implementaties, verankering en vooral een focus op kwaliteit van onderwijs met gebruik van ICT. De speerpunten liggen daarbij op de DLO (Blackboard), (grootschalig) digitaal toetsen en inzet van het gebruik van video in het onderwijs. Deze speerpunten gelden voor de komende jaren, de implementatie verloopt via de weg van de evolutie en niet via de weg van de revolutie. Dit betekent dat we via een heldere weg deze evolutie gestaag vorm geven, de accenten binnen de speerpunten verschillen per academie, afhankelijk van de fase waarin zij verkeren of het accent dat zij in hun eigen beleid leggen.
Deze strategie houdt ook in dat er voor de implementaties resources beschikbaar gesteld moeten worden die niet altijd in de projectstructuur past, het zijn (tijdelijke) toevoegingen van gelden aan de staande organisatie voor de duur van de implementatie.
In deze periode van “rust, regelmaat en reinheid” zal er ook aandacht moeten zijn voor op hande zijnde innovaties. Uitwisseling in hogeschool en landelijke netwerken is van belang alsmede onderzoek naar mogelijke inzet van ICT vormen die de kwaliteit van het onderwijs kunnen verbeteren. Een van die trends is het gebruik van Social Media in het onderwijs.
Wat bij ICT&Onderwijs al is uitgekristalliseerd moet voor ICT&Onderzoek nog vorm gegeven worden. Het identificeren van de vraag met name op het gebied van het gebruik van ICT die de kenniscirculatie tussen toegepast onderzoek en onderwijs faciliteert. De vraag articulatie is in onlangs in beeld gebracht en bevindt zich in de afrondende fase. Hierna kan het beoogde project E-science na de zomervakantie gestart worden en dit zal in 2012 doorlopen en uitgebouwd worden.
We denken in 2012 aan resources voor:
1. Dissiminatie en implementatie Didactiek in een Digitale Leeromgeving
De leergang zal eind 2011 gereed zijn. Er zullen resources nodig zijn om de leergang te promoten en uit te voeren. Het volgen van de verschillende modules valt onder de normale bekostigingssystematiek van de deskundigheidsbevordering. Deelname kan gestimuleerd worden door de leergang voor Saxion docenten de komende twee jaar voor niets aan te bieden. De kosten voor uitvoering de komende twee jaar zouden uit innovatiegelden gedekt moeten worden, daarna zal de leergang kostendekkend uitgevoerd worden.
2. Fase 2 Blackboard: Blended Learning incl video
Academies willen het gebruik van Blackboard verder intensiveren, enerzijds door het plaatsen van digital onderwijs materiaal en anderzijds door meer didactische benutting van de omgeving. Een van de types onderwijsmateriaal is het gebruik van video met bijbehorende audio. De producten uit het project Webstroom zullen diepgaander geïmplementeerd en verrijkt worden.
3. Innovatie Impuls projecten
Deze projecten zijn bedoeld om de innovatie vanaf de werkvloer op het gebied van beroepsspecifieke ICT-omgvingen te stimuleren. Onder deze noemer willen we ook de “Show&Share” bijeenkomsten regelen.
4. Grootschalig digitaal toetsen
Academies willen de kwaliteit van toetsing verhogen. Naast formatieve toetsing in de leeromgeving in allerlei verschijningsvormen heeft summatieve toetsing via toetsafname omgevingen een hoge prioriteit. Het opzetten van “valide toets item banken” is daarbij aan de orde. Hiervoor is een goed georganiseerde toetsomgeving voorwaardelijk.
5. Onderzoek gebruik Social Software in het hoger onderwijs irt "anyplace, anywhere, anytime & any device"
Een onderzoeksproject naar de mogelijkheden van toepassingen van social software in de DLO of als informele leeromgeving. De ontwikkelingen afzetten tegen de kwaliteitsverbetering van het onderwijs door al dan niet het inzetten van deze media.
6. E-science
Werktitel voor nog nader te definiëren projecten op het gebied van ICT&Onderzoek, met name om de kenniscirculatie tussen toegepast onderzoek en onderwijs te faciliteren.
PM: Opzetten jaarlijks onderzoek onder studenten en docenten ICT&O gebruik. De behoefte aan onderliggende data leeft al enige tijd. Aangezien dit niet alleen bij onze hogeschool speelt is er contact gezocht met SURF die het idee van harte omarmt.
Het mooie is dat die gewoon door docenten wordt ontwikkeld, die al langer ervaring hebben en een aanvulling is op de website en het boekwerk Digitale Didactiek van SURF. Nu even geen rare sprongen maken en de focus op diepe implementatie en kwaliteit blijven voortzetten, lijkt me. Ik schreef namens de collega's van de academies voor de planvorming 2012:
Er komen vele innovaties op de academies af. BISON (Bedrijfs Infromatie Systeem Onderwijs), CODA (Inkoopsysteem), Sagitta (urenregistratiesysteem), Blackboard (Electronische Leeromgeving), Saxion portal, Windows 7, Office 2010, to cloud or not te cloud. Voor de gebruiker maakt het niet uit in welk domein van de IT Governance dat belegd is, alles komt samen in zijn (werk)omgeving.
Uit de enquêtes van het programma ICT&O van 2010 werd al duidelijk dat er nu keuzes gemaakt worden voor goede implementaties, verankering en vooral een focus op kwaliteit van onderwijs met gebruik van ICT. De speerpunten liggen daarbij op de DLO (Blackboard), (grootschalig) digitaal toetsen en inzet van het gebruik van video in het onderwijs. Deze speerpunten gelden voor de komende jaren, de implementatie verloopt via de weg van de evolutie en niet via de weg van de revolutie. Dit betekent dat we via een heldere weg deze evolutie gestaag vorm geven, de accenten binnen de speerpunten verschillen per academie, afhankelijk van de fase waarin zij verkeren of het accent dat zij in hun eigen beleid leggen.
Deze strategie houdt ook in dat er voor de implementaties resources beschikbaar gesteld moeten worden die niet altijd in de projectstructuur past, het zijn (tijdelijke) toevoegingen van gelden aan de staande organisatie voor de duur van de implementatie.
In deze periode van “rust, regelmaat en reinheid” zal er ook aandacht moeten zijn voor op hande zijnde innovaties. Uitwisseling in hogeschool en landelijke netwerken is van belang alsmede onderzoek naar mogelijke inzet van ICT vormen die de kwaliteit van het onderwijs kunnen verbeteren. Een van die trends is het gebruik van Social Media in het onderwijs.
Wat bij ICT&Onderwijs al is uitgekristalliseerd moet voor ICT&Onderzoek nog vorm gegeven worden. Het identificeren van de vraag met name op het gebied van het gebruik van ICT die de kenniscirculatie tussen toegepast onderzoek en onderwijs faciliteert. De vraag articulatie is in onlangs in beeld gebracht en bevindt zich in de afrondende fase. Hierna kan het beoogde project E-science na de zomervakantie gestart worden en dit zal in 2012 doorlopen en uitgebouwd worden.
We denken in 2012 aan resources voor:
1. Dissiminatie en implementatie Didactiek in een Digitale Leeromgeving
De leergang zal eind 2011 gereed zijn. Er zullen resources nodig zijn om de leergang te promoten en uit te voeren. Het volgen van de verschillende modules valt onder de normale bekostigingssystematiek van de deskundigheidsbevordering. Deelname kan gestimuleerd worden door de leergang voor Saxion docenten de komende twee jaar voor niets aan te bieden. De kosten voor uitvoering de komende twee jaar zouden uit innovatiegelden gedekt moeten worden, daarna zal de leergang kostendekkend uitgevoerd worden.
2. Fase 2 Blackboard: Blended Learning incl video
Academies willen het gebruik van Blackboard verder intensiveren, enerzijds door het plaatsen van digital onderwijs materiaal en anderzijds door meer didactische benutting van de omgeving. Een van de types onderwijsmateriaal is het gebruik van video met bijbehorende audio. De producten uit het project Webstroom zullen diepgaander geïmplementeerd en verrijkt worden.
3. Innovatie Impuls projecten
Deze projecten zijn bedoeld om de innovatie vanaf de werkvloer op het gebied van beroepsspecifieke ICT-omgvingen te stimuleren. Onder deze noemer willen we ook de “Show&Share” bijeenkomsten regelen.
4. Grootschalig digitaal toetsen
Academies willen de kwaliteit van toetsing verhogen. Naast formatieve toetsing in de leeromgeving in allerlei verschijningsvormen heeft summatieve toetsing via toetsafname omgevingen een hoge prioriteit. Het opzetten van “valide toets item banken” is daarbij aan de orde. Hiervoor is een goed georganiseerde toetsomgeving voorwaardelijk.
5. Onderzoek gebruik Social Software in het hoger onderwijs irt "anyplace, anywhere, anytime & any device"
Een onderzoeksproject naar de mogelijkheden van toepassingen van social software in de DLO of als informele leeromgeving. De ontwikkelingen afzetten tegen de kwaliteitsverbetering van het onderwijs door al dan niet het inzetten van deze media.
6. E-science
Werktitel voor nog nader te definiëren projecten op het gebied van ICT&Onderzoek, met name om de kenniscirculatie tussen toegepast onderzoek en onderwijs te faciliteren.
PM: Opzetten jaarlijks onderzoek onder studenten en docenten ICT&O gebruik. De behoefte aan onderliggende data leeft al enige tijd. Aangezien dit niet alleen bij onze hogeschool speelt is er contact gezocht met SURF die het idee van harte omarmt.
donderdag 19 mei 2011
Wat is wijsheid?
Debbie Braakman
Laatst kreeg ik van een collega de link naar een video opname van Salman Khan, de oprichter van de Khan-academie. Khan hield een voordracht bij TED. Zijn beeld van onderwijs van de toekomst is dat je thuis kennis opdoet en in de les je huiswerk maakt. Daarbij, doordat je online leert, is er ook online tutoring mogelijk door medestudenten in zelfs een global omgeving. Leren van elkaar, elkaar helpen bij het leren, niet gehinderd door landsgrenzen en cultuurverschillen. In feite doen studenten dat al wanneer ze medestudenten via de chat vragen stellen als ze vastlopen bij het maken van een opdracht.
We hebben het over vernieuwing in het onderwijs. Deze gezichtspunten zijn heel interessant en zouden een transformatie van onderwijs kunnen betekenen. Echter, zoals voor alles, geldt dat teveel van hetzelfde niet werkt.
Nemen we het eerste punt:
Vroeger had je vooral hoorcolleges waar de docent in zijn lesuren al zijn kennis spuide en de student dat braaf aanhoorde. Pas in een werkcollege kon je vragen stellen en aan opdrachten werken. Dat is in de loop van de tijd wel beter geworden, maar deze verdeling is nog veel gebruikt.
Zou je nu de kennisoverdracht op een andere manier mogelijk maken, door gebruik van video, dan heb je inderdaad dat wat Salman Khan voor ogen staat: thuis kennis opdoen en huiswerk in de les. Het hoorcollege verdwijnt en er komen intensieve werkcolleges voor in de plaats.
Dat werkt echt: Een collega, die in plaats van hoorcolleges met weblectures werkt voor zijn kennisoverdracht, heeft al gemerkt dat daardoor de werkcolleges in de ogen van de student heel belangrijk zijn geworden. Ideaal, de student beseft het zelf en neemt actie. Dus geen teruggang van collegebezoek, maar wel een andere vorm van collegebezoek kun je dan zeggen.
Maar ga er maar aan staan als student. Anderhalf uur luisteren en kijken naar een weblecture. Hoe je het ook wendt of keert, de student moet toch de tijd investeren. Daarin kan de student tegemoet worden gekomen door de stof in hapklare brokken op te delen. De student kan dan in eigen tempo door de stof. En herhalen tot het beklijft, zonder dat je als sufferdje van de klas te boek komt te staan. Daar valt best veel voor te zeggen.
Maar alleen weblectures gaat echt vervelen. Net zoals alleen maar hoorcolleges of alleen maar boeken. Het gaat om de mix van didactische werkvormen waar de student mee uitgedaagd maar ook geïnspireerd wordt. Tegelijk wil de student ook niet alleen maar nieuwe dingen, help! Het vertrouwde loslaten is voor de docent soms moeilijk maar vlak de student niet uit. In een wereld met zoveel prikkels is de vertrouwde manier van onderwijs wel een rustpunt. Je weet waar je aan toe bent en wat er van je verwacht wordt. En ja, je bent als student vooral aan het consumeren.
Zoals in de eerdere blogpost over Wat willen studenten met ICT in het onderwijs (18 april) aangegeven wordt, zijn studenten terughoudend als het gaat om innovaties in het onderwijs. Als we daar vroeger naar hadden geluisterd waren we nu niet waar we zijn. De vernieuwing van toen is in de wereld van nu heel gewoon.
Dus we moeten doorgaan met innoveren en dat goed monitoren en evalueren.
Het beeld van Salman Khan dat kennis thuis wordt opgedaan en huiswerk in de les zou best over enige jaren heel gewoon kunnen zijn. Net zo dat er van elkaar geleerd wordt over grenzen heen. Maar voor dat we daar zijn …. kweken we inderdaad echt zelfverantwoordelijke studenten? Of haken studenten af en daalt de instroom? Want in dat geval heeft de instelling een probleem.
Wat is dan wijsheid?
Laatst kreeg ik van een collega de link naar een video opname van Salman Khan, de oprichter van de Khan-academie. Khan hield een voordracht bij TED. Zijn beeld van onderwijs van de toekomst is dat je thuis kennis opdoet en in de les je huiswerk maakt. Daarbij, doordat je online leert, is er ook online tutoring mogelijk door medestudenten in zelfs een global omgeving. Leren van elkaar, elkaar helpen bij het leren, niet gehinderd door landsgrenzen en cultuurverschillen. In feite doen studenten dat al wanneer ze medestudenten via de chat vragen stellen als ze vastlopen bij het maken van een opdracht.
We hebben het over vernieuwing in het onderwijs. Deze gezichtspunten zijn heel interessant en zouden een transformatie van onderwijs kunnen betekenen. Echter, zoals voor alles, geldt dat teveel van hetzelfde niet werkt.
Nemen we het eerste punt:
Vroeger had je vooral hoorcolleges waar de docent in zijn lesuren al zijn kennis spuide en de student dat braaf aanhoorde. Pas in een werkcollege kon je vragen stellen en aan opdrachten werken. Dat is in de loop van de tijd wel beter geworden, maar deze verdeling is nog veel gebruikt.
Zou je nu de kennisoverdracht op een andere manier mogelijk maken, door gebruik van video, dan heb je inderdaad dat wat Salman Khan voor ogen staat: thuis kennis opdoen en huiswerk in de les. Het hoorcollege verdwijnt en er komen intensieve werkcolleges voor in de plaats.
Dat werkt echt: Een collega, die in plaats van hoorcolleges met weblectures werkt voor zijn kennisoverdracht, heeft al gemerkt dat daardoor de werkcolleges in de ogen van de student heel belangrijk zijn geworden. Ideaal, de student beseft het zelf en neemt actie. Dus geen teruggang van collegebezoek, maar wel een andere vorm van collegebezoek kun je dan zeggen.
Maar ga er maar aan staan als student. Anderhalf uur luisteren en kijken naar een weblecture. Hoe je het ook wendt of keert, de student moet toch de tijd investeren. Daarin kan de student tegemoet worden gekomen door de stof in hapklare brokken op te delen. De student kan dan in eigen tempo door de stof. En herhalen tot het beklijft, zonder dat je als sufferdje van de klas te boek komt te staan. Daar valt best veel voor te zeggen.
Maar alleen weblectures gaat echt vervelen. Net zoals alleen maar hoorcolleges of alleen maar boeken. Het gaat om de mix van didactische werkvormen waar de student mee uitgedaagd maar ook geïnspireerd wordt. Tegelijk wil de student ook niet alleen maar nieuwe dingen, help! Het vertrouwde loslaten is voor de docent soms moeilijk maar vlak de student niet uit. In een wereld met zoveel prikkels is de vertrouwde manier van onderwijs wel een rustpunt. Je weet waar je aan toe bent en wat er van je verwacht wordt. En ja, je bent als student vooral aan het consumeren.
Zoals in de eerdere blogpost over Wat willen studenten met ICT in het onderwijs (18 april) aangegeven wordt, zijn studenten terughoudend als het gaat om innovaties in het onderwijs. Als we daar vroeger naar hadden geluisterd waren we nu niet waar we zijn. De vernieuwing van toen is in de wereld van nu heel gewoon.
Dus we moeten doorgaan met innoveren en dat goed monitoren en evalueren.
Het beeld van Salman Khan dat kennis thuis wordt opgedaan en huiswerk in de les zou best over enige jaren heel gewoon kunnen zijn. Net zo dat er van elkaar geleerd wordt over grenzen heen. Maar voor dat we daar zijn …. kweken we inderdaad echt zelfverantwoordelijke studenten? Of haken studenten af en daalt de instroom? Want in dat geval heeft de instelling een probleem.
Wat is dan wijsheid?
dinsdag 17 mei 2011
Durf jij uit te dagen?
Het multi blog startte in maart en inmiddels lezen zo'n 300 vakgenoten per dag het Blog. Dat is al een mooie start, het loopt gestaag op. Tot en met november heb ik wekelijks 2 columnisten bereid gevonden en ingepland om hun boeiende, prikkelende, uitdagende stukjes aan dit blog en zijn lezers toe te vertrouwen. Denk je nu: dat is ook wat voor mij om eens een blogbericht te plaatsen? Aarzel niet en mail me, je hoeft niet gelijk volgende week je hebt tijd genoeg (tenzij je natuurlijk direct wat kwijt moet, dat kan altijd, want actualiteit staat ook hoog in het vaandel).
hatlogtenberg@gmail.com
hatlogtenberg@gmail.com
Abonneren op:
Posts (Atom)


















